OPINIE – De Nederlandse Overheid trekt de stekker uit de IPDC

Door Simon Richter

Heeft u de krantenkop over het einde van het International Panel on Deltas and Coastal Areas (IPDC) gezien? Ik ook niet. Dat kon ook niet, want er wás geen krantenkop. Het nieuws, dat binnen overheidskringen al maanden bekend was, werd discreet meegedeeld aan de ambtenaren en andere betrokkenen uit de deelnemende landen en bijzondere gemeenten die in juni 2026 de laatste bijeenkomst van de IPDC in Rotterdam bijwoonden.

Ik kan niet spreken voor de vertegenwoordigers uit landen als Colombia, Egypte en Vietnam. Wel heb ik gesproken met enkele mensen uit de Caribische eilanden van het Koninkrijk die zich bezighouden met klimaatadaptatie. Binnen de IPDC werkten zij samen met Climate Adaptation Services (CAS) en Deltares aan klimaateffectatlassen en adaptatiestrategieën voor hun eilanden. Ik proefde hun teleurstelling toen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat besloot abrupt een einde te maken aan een proces en een samenwerking waarvan zij hadden gehoopt dat die nog veel verder zou reiken.

Dat besluit staat niet op zichzelf. Eerst was er het besluit van de Staat om in beroep te gaan tegen de uitspraak in de Greenpeace Bonaire-zaak. Niet onverwacht, maar toch. Vervolgens kwam daar de dubbele belediging bovenop — “zout in de wond strooien”, zoals Fabian Badejo het treffend noemt, met alle connotaties die de geschiedenis van de zoutwinning op de eilanden van het Koninkrijk oproept — door zich niet alleen te onthouden van stemming over de VN-resolutie over de trans-Atlantische slavernij, maar ook de eilandbesturen vooraf niet te consulteren en vervolgens een parlementair debat over de kwestie weg te stemmen. Wat mij betreft hoort het beëindigen van de IPDC en alles wat die voor de eilanden is gaan betekenen in hetzelfde rijtje thuis. Hieronder leg ik uit waarom en doe ik een voorstel om het fundamentele probleem aan te pakken dat de IPDC, zij het onvolmaakt, probeerde te adresseren.

De IPDC werd na een bescheiden “soft launch” tijdens COP27 in Sharm el-Sheikh in november 2022 met veel vertoon gelanceerd tijdens de Tweede VN-Waterconferentie in New York in maart 2023. Koning Willem-Alexander was erbij, de toenmalige Speciaal Gezant voor Internationale Waterzaken Henk Ovink, minister van Infrastructuur en Waterstaat Mark Harbers, en tal van andere prominenten uit de Nederlandse waterwereld. Ik woonde de bijeenkomsten in New York bij en schreef kort daarna een opiniestuk waarin ik mijn eerste indrukken van de Nederlandse aanwezigheid uiteenzette.

Ik stond sceptisch tegenover deze nieuwe instelling met haar quasi-internationale uitstraling. De verwarrende gelijkenis tussen IPDC en IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) leek bijna bewust gekozen. De ambitie was duidelijk: Nederland wilde zich nadrukkelijk profileren op het mondiale toneel van klimaatadaptatie en zich positioneren als een invloedrijke speler op die snel groeiende markt.

Wat mij het meest verraste, was de plotselinge prominente rol van de eilanden van het Koninkrijk. In Sharm el-Sheikh waren zij nog niet eens genoemd. Als landen en bijzondere gemeenten binnen het Koninkrijk bevinden zij zich in een juridisch grijs gebied als het gaat om internationale klimaatadaptatiefinanciering. Het baanbrekende onderzoek van Daphina Misiedjan heeft die lacune in het Koninkrijksrecht overtuigend blootgelegd en daarmee de juridische kwetsbaarheid van de Nederlandse positie scherp zichtbaar gemaakt. Destijds kreeg ik sterk de indruk dat een deel van de drijfveer achter de IPDC voortkwam uit de druk waaronder de Nederlandse overheid stond om de waterveiligheid die in Europees Nederland vanzelfsprekend is, ook uit te breiden naar de landen en gebieden binnen het Koninkrijk. Tot die druk behoorde ook de naderende rechtszaak van Greenpeace Bonaire.

De enige reden dat ik de IPDC destijds niet onmiddellijk afdeed als de zoveelste poging van Nederland om zijn internationale reputatie op te poetsen en tegelijkertijd zijn positie op de wereldmarkt voor klimaatadaptatie te versterken, was de houding van Annemieke Nijhof. Als directeur van Deltares trad zij op als gastvrouw tijdens zowel het grote evenement als de daaropvolgende “deep dive”. Wat zij uitstraalde was een besef van gedeelde kwetsbaarheid, gezamenlijke urgentie en de noodzaak om het anders te doen. Op een bepaald moment zei ze: “Concurrentie is immoreel onder de omstandigheden waarmee we worden geconfronteerd.” Of die opvatting uiteindelijk de boventoon zou voeren, was toen al de vraag.

De IPDC was vanaf het begin structureel gebrekkig. De instelling wist haar oorspronkelijke ambitie niet waar te maken — het lukte bijvoorbeeld niet om premier Mia Mottley en Barbados aan boord te krijgen — en de uitbreiding van haar missie richting de Caribische delen van het Koninkrijk maakte het geheel eerder verwarrender dan sterker. Toch gebeurde er binnen die gebrekkige structuur iets belangrijks.

Van buitenaf bezien leek er een functionele tweedeling te ontstaan. De projecten in Colombia, Egypte en Vietnam werden grotendeels door Deltares aangestuurd, terwijl de uitvoering in het Caribische deel van het Koninkrijk vooral bij CAS kwamen te liggen, zij het met ondersteuning van Deltares. Omdat ik de ontwikkelingen in de eerste categorie niet van nabij heb gevolgd, beperk ik mij hier tot de eilanden van het Koninkrijk, en dan vooral Bonaire, Curaçao en Saint Martin als eiland in het geheel. Daar heb ik het afgelopen jaar herhaaldelijk met betrokkenen gesproken en ben ik, zij het bescheiden en informeel, zelf ook enigszins bij het proces betrokken geraakt.

In het Caribische deel van het Koninkrijk werkt een groep gemotiveerde en ondernemende professionals, zowel binnen de overheid als in het maatschappelijk middenveld. Velen van hen hebben in Nederland gestudeerd of gewerkt, maar hebben er bewust voor gekozen terug te keren naar eilanden die vandaag al aanzienlijk kwetsbaarder zijn voor klimaatverandering dan Europees Nederland. Daarmee laten zij vaak aantrekkelijker loopbaanmogelijkheden in Nederland achter zich.

In een zeldzame, maar voorbeeldige stap opende CAS een kantoor op Curaçao, bemand door Timo Kelder. Geboren en getogen op Curaçao en vloeiend in het Papiamentu belichaamt Timo de bescheidenheid en integriteit die zulke samenwerking nodig heeft.

Rond de IPDC ontstond een klein maar opmerkelijk netwerk van Caribische klimaatleiders uit de eilanden zelf. Zij werden daarbij ondersteund door CAS, Deltares, KIN, het Wereld Natuur Fonds, leden van de Caribische diaspora en vele anderen. Samen ontwikkelden zij de zes klimaateffectatlassen, werkten zij aan klimaatadaptatiestrategieën voor de verschillende eilanden en droegen zij zichtbaar bij aan de opbouw van lokale kennis en capaciteit.

Zij begrepen bovendien iets wat in Europees Nederland nog altijd onvoldoende wordt onderkend: dat veel van de klimaatproblemen waarmee de eilanden vandaag worden geconfronteerd direct of indirect voortkomen uit de Nederlandse koloniale geschiedenis en het slavernijverleden. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom landschappen zijn uitgeput, ecosystemen zijn aangetast en investeringen in infrastructuur achterblijven. Dat is ook een belangrijke verklaring voor de extreme sociaaleconomische ongelijkheid die op veel eilanden voortduurt.

Juist daarom grepen zij deze kans te goeder trouw aan om samen met Nederland te werken aan een proces dat een voorzichtige vorm van herstel belichaamt. Niet in de klassieke betekenis van financiële compensatie, maar in de zin van het gezamenlijk herstellen van een kwetsbaarheid die mede door de geschiedenis is ontstaan. Want het opbouwen van klimaatbestendigheid is een vorm van reparatie, in meer dan één betekenis van het woord.

Nu begrijpt u wellicht beter wat het beëindigen van de IPDC voor deze burgers van het Koninkrijk betekent. Het voortijdig stopzetten van de IPDC, terwijl het werk op de eilanden nog lang niet is voltooid, is opnieuw een gevoelige klap die de Nederlandse overheid de eilanden heeft toegebracht.

Meer door toeval dan uit overtuiging heeft de Nederlandse overheid in het Caribisch gebied heel even iets goeds mogelijk gemaakt. Door de IPDC te financieren en CAS en Deltares in staat te stellen eilandbewoners te ondersteunen bij plaatsgebonden klimaatadaptatie, kregen we een glimp te zien van hoe het óók zou kunnen. Perfect was het allerminst. Hoe zou dat ook kunnen, gezien de gebrekkige uitgangspunten? Maar het was wel een glimp. En die glimp laat me niet meer los.

Wat als het Koninkrijk een Caribische tegenhanger van de Tweede Deltacommissie zou instellen? Geen Deltacommissie, maar een Archipelcommissie: een commissie waarin mensen met gezag én praktijkervaring op het gebied van klimaatadaptatie uit de eilanden én uit Europees Nederland zitting zouden hebben, inclusief vertegenwoordigers uit de Caribische diaspora.

Wat als die commissie achttien maanden de tijd kreeg om te luisteren, gesprekken te voeren met een brede kring van deskundigen en belanghebbenden, en na te denken over wat er — integraal, en met volledig respect voor de historische context — nodig is om de archipel de komende honderd jaar te beschermen?

En wat als die commissie vervolgens zou adviseren een Archipelprogramma op te richten, naar het voorbeeld van het Deltaprogramma, met een vergelijkbare opdracht, een gegarandeerde financiering en een langetermijnmandaat? Een programma dat nauw samenwerkt met het Franse deel van Saint Martin, met andere Caribische landen en eilanden en met duurzame regionale instellingen zoals CARICOM, net zoals Nederland voor de Rijn en de Schelde samenwerkt met Duitsland en België en voor de Noordzee met de andere kuststaten.

Klimaatadaptatie in het Caribisch gebied zou een blijvende constitutionele verantwoordelijkheid van het Koninkrijk moeten zijn, even vanzelfsprekend en serieus genomen als het Deltaprogramma zelf — geen vijfjarenproject dat afhankelijk is van politieke prioriteiten of de grillen van de begroting. Uiteindelijk gaat dit niet alleen over de IPDC. Het gaat over de bereidheid van het Koninkrijk om duurzame instituties voor het Caribisch deel van het Koninkrijk op te bouwen.

Coda

Een eerdere versie van dit opiniestuk heb ik voorgelegd aan verschillende mensen die nauw bij de IPDC betrokken zijn geweest. Opvallend genoeg bleken zij, als het om de IPDC en ook om CAS ging, kritischer dan ikzelf. Toch trok geen van hen de conclusie dat het werk vergeefs was geweest.

Een van hen gebruikte een vergelijking die me is bijgebleven. Toen Curaçao tijdens zijn eerste deelname aan het WK met 7–1 van Duitsland verloor, overheerste niet alleen de teleurstelling. Er was ook iets te vieren: het eerste WK-doelpunt uit de geschiedenis van Curaçao. “De IPDC,” luidde de vergelijking, “was eigenlijk ook een 7–1-overwinning voor Nederland. Zij scoorden zeven keer, maar wij zijn blij met die ene treffer.”

De vergelijking verwees naar een ongemakkelijke werkelijkheid. Het grootste deel van de middelen en de institutionele opbrengsten kwam aan Nederlandse zijde terecht. Tegelijkertijd betekende de IPDC voor de eilanden veel meer dan de optelsom van de projecten die eruit voortkwamen.De eilanden profiteerden zonder twijfel van de samenwerking, maar een veel kleiner deel van die investeringen kwam rechtstreeks terecht bij de opbouw van lokale capaciteit. Daar komt nog bij dat de Nederlandse financiering niet voorziet in het onderhoud en de verdere ontwikkeling van de klimaateffectatlassen. Die kosten komen uiteindelijk voor rekening van de eilanden, terwijl ook dat werk grotendeels buiten de eilanden wordt uitgevoerd. Zo vloeit een deel van de schaarse middelen die de eilanden zelf moeten opbrengen opnieuw weg uit de lokale economie.

Verschillende gesprekspartners wezen mij er bovendien op dat de bijzondere gemeenten waarschijnlijk op Nederlandse steun kunnen blijven rekenen – mogelijk mede dankzij de druk die de Greenpeace-zaak heeft uitgeoefend – terwijl de CAS-eilanden buiten de boot dreigen te vallen. Ook dat creëert opnieuw een ongelijkheid binnen het Koninkrijk.

En toch deed die ene treffer ertoe. Dankzij de IPDC kwam een proces in beweging dat anders waarschijnlijk op de achtergrond was gebleven. Er kwamen klimaateffectatlassen. Er kwamen adaptatiestrategieën. Er groeide lokale kennis en bestuurlijke capaciteit. Misschien nog belangrijker: er ontstond een gemeenschap van

Caribische klimaatleiders die elkaar inmiddels weet te vinden en die de klimaatbestendigheid van hun eilanden met kennis van zaken verder wil brengen.  Zoals mijn gesprekspartner het samenvatte: “Je analyseert je verlies, maar je viert ook je doelpunten.” De IPDC was nooit dé oplossing. Maar zij liet wel zien in welke richting de oplossing gezocht moet worden: niet in opnieuw een tijdelijk project, maar in een blijvende institutionele verantwoordelijkheid van het Koninkrijk voor de klimaatbestendigheid van de Caribische eilanden.

Simon Richter is professor aan de University of Pennsylvania. Hij maakte o.a. de video “How to care about Bonaire”. Klik HIER om deze te bekijken.

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.