Door René Zwart
Het Interparlementair Koninkrijksoverleg ligt nog vers in het geheugen (of, afhankelijk vanuit welk perspectief je het bekijkt, zwaar op de maag), maar nu al dreigt de Tweede Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties haar uitgesproken voornemen beter te communiceren met de Statendelegaties van Aruba, Curaçao en Sint Maarten vergeten. Vandaag deed commissielid Mikal Tseggai (PRO) het voorstel om jaarlijks een ‘Staat van het Koninkrijk’ te houden, waarbij parlementariërs van de vier landen in debat gaan met de Koninkrijksregering.
Op zichzelf een prima idee, maar bepaald niet origineel. In 2009 heeft de gezamenlijke, door het IpKo ingestelde Commissie Democratisch Deficit dat immers ook al voorgesteld. De Tweede Kamer heeft er toen niets meegedaan en ook de andere landen zijn er nooit (serieus) op teruggekomen. En dat geldt evenzeer voor alle overige behartenswaardige aanbevelingen van de commissie van wijzen.
Er valt meer aan te merken op het initiatief van Tseggai. Het IpKo heeft de opvolger van de commissie uit 2009, de deskundigengroep Democratisch Deficit onder voorzitterschap van Aubrich Bakhuis, nog maar net groen licht gegeven nieuw onderzoek te doen naar de vraag hoe het democratisch tekort in het Koninkrijk kan worden verkleind. Door daarop vooruit te lopen, maait het Kamerlid van PRO het gras voor de voeten van de deskundigengroep weg.
Dat Tseggai haar collega-commissieleden verraste is tot daar aan toe, veel kwalijker is dat ze haar initiatief niet langs de koninklijke weg aan de Statendelegaties heeft voorgelegd. Daarnaar gevraagd zei ze het alleen in de wandelgangen informeel met een enkeling te hebben besproken. Dat is, zonder meteen haar goede intenties in twijfel te trekken, nu precies wat er aan Nederlandse kant zo vaak misgaat: het denken voor de eilanden en niet met ze. Sommigen hebben daar een woord voor: neokoloniaal.
De enige juiste weg was geweest de aanbevelingen van de deskundigengroep af te wachten en er in IpKo-verband – dus gezamenlijk in een gelijkwaardige setting – over te debatteren en dan met elkaar een besluit te nemen. Dat moet zelfs voor een beginnend Kamerlid toch niet moeilijk te bedenken zijn? Terecht dat Tseggai door de commissie werd teruggefloten: de griffie zal nu eerst (hopelijk in overleg met de griffiers aan Caribische zijde) een beter doordacht voorstel uitwerken.
Voor Annabel Nanninga (JA21) hoeft dat allemaal niet: “Een sympathiek idee, maar mijn ervaring in de Eerste Kamer met de Staat van Europa is dat zulke debatten een hoog symbolisch gehalte hebben en veel werk kosten. Het is meer een soort bezigheidstherapie.”
