Den Haag – Er is niet één oplossing voor de schuldenproblematiek in Caribisch Nederland. Daarvoor is een samenhangend pakket ‘instrumenten’ voor nodig, constateren het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en onderzoekers van de DSP-groep in een verkenning naar de aard van de schuldenproblematiek op de eilanden. Het onderzoek richtte zich op situaties waarin schulden niet meer via het reguliere (minnelijke) traject zijn op te lossen.
Voor een brede groep betrokken partijen vanuit Caribisch Nederland en Europees Nederland heeft DSP-groep twee online stakeholdersessies georganiseerd. Daarbij is naar voren gekomen dat schulden op de eilanden zelden een op zichzelf staand financieel probleem zijn, maar samenhangen met bestaansonzekerheid en andere sociale vraagstukken. Daarnaast spelen informele schulden een grote rol. Deze schulden zijn vaak minder zichtbaar en moeilijker te regelen binnen bestaande systemen, aldus de onderzoekers.
Ook de context van de eilanden blijkt bepalend. De kleinschaligheid, beperkte uitvoeringscapaciteit van het sociaal werk en rechterlijke macht, en de positie van kleine en lokale schuldeisers maken dat oplossingen uit Europees Nederland niet één-op-één toepasbaar zijn. Dit vraagt om een aanpak die beter aansluit bij de lokale situatie.
Verschillende oplossingsrichtingen zijn verkend, waaronder een schuldencommissie, een regeling met doorzettingsmacht richting schuldeisers en vormen van herfinanciering. “Het gaat hier niet om dé oplossing, het succes zit in de combinatie van instrumenten, goede begeleiding en een stapsgewijze opbouw van het systeem. Daarbij kwam ook nadrukkelijk naar voren dat een duurzame aanpak niet alleen vraagt om oplossingen voor bestaande schulden, maar juist ook om inzet op financiële educatie en vroegtijdige preventie, zodat problematische schulden zoveel mogelijk worden voorkomen”, aldus de verkenners die spreken van “concrete bouwstenen voor een aanpak die recht doet aan de complexiteit van schulden en tegelijkertijd uitvoerbaar is binnen de Caribische context.”
Onbekend is wanneer het ministerie het rapport zal publiceren.
