Door Maarten van de Weerd
De modernisering van het jeugdstrafrecht in het Caribisch deel van het Koninkrijk werd terecht gezien als een belangrijke ontwikkeling. Meer aandacht voor pedagogische berechting, gespecialiseerde ketenpartners en de bijzondere positie van minderjarigen in het strafrecht hebben geleid tot een duidelijk moderner jeugdstrafrechtelijk kader. Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat er op onderdelen nog verschillen bestaan tussen Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk. Eén van die punten betreft de openbaarheid van jeugdstrafzaken.
Waar in Europees Nederland jeugdstrafzaken in beginsel achter gesloten deuren plaatsvinden tot achttien jaar, geldt in Aruba, Curaçao, Sint Maarten én Caribisch Nederland nog steeds het uitgangspunt dat de deuren vanaf zestien jaar open gaan en de zitting openbaar is. Daarmee bestaan binnen het Koninkrijk verschillende benaderingen van de bescherming van minderjarige verdachten.
Dat verschil roept vragen op in het licht van internationale kinderrechtennormen. Artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind benadrukt het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van minderjarigen in strafprocedures. Ook het VN-Kinderrechtencomité heeft in verschillende General Comments aandacht gevraagd voor privacybescherming als onderdeel van rehabilitatie en maatschappelijke re-integratie van jeugdigen.
Juist in kleinschalige eilandgemeenschappen kan openbaarheid bovendien een relatief grote impact hebben. Een openbare zitting op Bonaire, Curaçao of Sint Maarten is in de praktijk vaak minder anoniem dan in grotere samenlevingen. Namen en omstandigheden worden sneller herleid, waardoor een strafzaak langdurig kan doorwerken in de sociale omgeving van een minderjarige.
Op LinkedIn vroeg ik ruim een jaar geleden al aandacht voor deze verschillen binnen het Koninkrijk, in het bijzonder voor de situatie in Caribisch Nederland. Die oproep leidde uiteindelijk tot Kamervragen van Don Ceder aan de staatssecretaris over de openbaarheid van jeugdstrafzaken in Caribisch Nederland en de verhouding daarvan tot internationale kinderrechtennormen.
In de beantwoording werd erkend dat dit onderwerp aandacht verdient. Tot op heden heeft dat echter nog niet geleid tot concrete wetgeving. Een voorstel om de regels gelijk te trekken met Europees Nederland is vooralsnog niet ingediend. Ook in de nieuwe Wetboeken van Strafvordering van de Caribische landen is deze wijziging niet meegenomen.
Dat is opvallend, juist omdat binnen het moderne jeugdstrafrecht pedagogische beïnvloeding, ontwikkeling en toekomstperspectief centraal staan. Tegen die achtergrond lijkt het goed om het gesprek te blijven voeren over de vraag of de huidige regeling nog voldoende aansluit bij de internationale ontwikkeling van het jeugdstrafrecht en de uitgangspunten die het Koninkrijk daarin nastreeft.
De discussie over openbaarheid raakt daarmee niet alleen aan juridische techniek, maar ook aan de bredere vraag hoe binnen het Koninkrijk invulling wordt gegeven aan de bescherming en begeleiding van minderjarigen in het strafrecht.
Maarten van de Weerd is Juridisch Beleidsadviseur Jeugdrecht en gastdocent Straf- en Strafprocesrecht aan de University of Curaçao Dr. Moises da Costa Gomez.
