Den Haag – Hoe de 30 miljoen euro besteed gaat worden die het kabinet in het regeerakkoord heeft toegezegd voor koopkrachtverbetering in Caribisch Nederland wordt pas na de zomer bekend.
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hans Vijlbrief wil eerst zelf in augustus Bonaire, Sint Eustatius en Saba bezoeken alvorens “een eerste ontwerp” te presenteren, zei hij vandaag in het debat met de Tweede Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties over de bestaanszekerheid op de BES-eilanden.
Wat wel duidelijk is geworden, is dat die 30 miljoen bij lange na niet genoeg is om alle wensen die met name D66, GroenLinks-PvdA en ChristenUnie naar voren brachten te realiseren. Staatssecretaris Eric van der Burg benadrukte dat de ‘envelop’ over alles kan worden verdeeld dat de koopkracht verbeterd en dan vooral door kosten van levensonderhoud te verlagen.
Don Ceder (CU) is er niet gerust op dat van de als “extra” gepresenteerde 30 miljoen niet ook uitgaven worden gedaan die eigenlijk vanuit de begrotingen van ministeries zouden moeten worden betaald. Het commissiedebat krijgt nog een vervolg in de vorm van een tweeminutendebat dat fracties de kans biedt moties in te dienen.
Banenverlies bij RCN
De Rijksdienst Caribisch Nederland ontkomt niet aan de rijksbrede taakstelling om het overheidsapparaat in te krimpen. Dat er ook bij RCN – op alle drie BES-eilanden veruit de grootste werkgever – banen worden geschrapt staat vast, maar hoeveel kan staatssecretaris Eric van der Burg nog niet zeggen.
Kijk HIER het commissiedebat terug
Inbreng Heera Dijk (D66)
Ik ben blij dat we het debat over bestaanszekerheid eindelijk kunnen voeren. Want het is 2,5 jaar geleden dat de commissie Thodé met duidelijke conclusies kwam over het sociaal minimum op Bonaire, Saba en Statia.
We zijn 2,5 jaar verder en de wereld ziet er compleet anders uit. De kosten voor levensonderhoud blijven stijgen. Voor veel mensen is rondkomen een alledaagse puzzel die steeds moeilijker te leggen is. Eén op de drie mensen leeft in armoede. Veel mensen hebben uit noodzaak meerdere banen. De alsmaar duurdere import werkt direct door in het dagelijks leven. Voedsel, energie, water, huur en vervoer zijn duur.
We zien dat ook terug op Saba: prijzen zijn daar met meer dan 30% gestegen en voedsel zelfs met meer dan 50%. Dan kun je het minimumloon verhogen, maar dat betekent nog niet dat mensen ook echt rondkomen. Daarom is het goed dat dit kabinet jaarlijks €30 miljoen extra uittrekt voor het sociaal minimum. Kan het kabinet concreet maken hoe deze €30 miljoen wordt ingezet, en wanneer inwoners daar daadwerkelijk iets van merken?
Er is nu een noodpakket voor Europees Nederland vanwege de energiemaatregel, heel goed dat dat er komt. Maar wat betekent dat voor het Caribisch deel van Nederland? We lezen dat tarieven voor elektriciteit vanaf 2026 stijgen en voor water en telecom mogelijk vanaf 2027. Kan de staatssecretaris concreet maken wat dat betekent in de praktijk en hoe wordt geborgd dat Caribisch Nederland vanaf het begin wordt meegenomen, en niet pas achteraf?
We moeten af van de vraag wat haalbaar is, en toe naar de vraag wat nodig is. En dat begint bij weten wat mensen minimaal nodig hebben om rond te komen. Wat mij opvalt uit de stukken, is dat we nog steeds geen goed zicht hebben op de koopkrachtontwikkeling op de eilanden. Op welke manier gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat dat inzicht er alsnog komt? Daarbij de oproep aan het kabinet: Gaat het kabinet uit van wat haalbaar is, of van wat minimaal nodig is om mensen daadwerkelijk rond te laten komen?
Dan over onze toekomst: onze kinderen. De gevolgen van bestaansonzekerheid worden al op jonge leeftijd gevoeld in Caribisch Nederland. Neem bijvoorbeeld Bonaire: één op de vier kinderen groeit op in armoede. Ter vergelijking: in Europees Nederland is dat zo’n 3%. Dat verschil is enorm.
En des te pijnlijker is het dat het kabinet onderscheid blijft maken tussen kinderen in Europees Nederland en kinderen in Caribisch Nederland. Artikel 26 van het VN-Kinderrechtenverdrag (het recht op sociale zekerheid) erkent het Kabinet wel voor Europees Nederland, maar niet voor Caribisch Nederland. Hoe rechtvaardigt de staatssecretaris dit verschil binnen hetzelfde Koninkrijk? Is hij bereid om het voorbehoud voor Caribisch Nederland ook op te heffen?
In de voortgangsbrief bestaanszekerheid wordt vol lof gesproken over het werk van UNICEF op de eilanden op het gebied van kinderrechten en het meenemen van het belang van kinderen en jongeren in beleid. Tegelijkertijd wordt de subsidie van €300.000 per jaar volgende maand stopgezet. En wat we dan zien, is het volgende: BZK verwijst naar VWS omdat het om preventie gaat, en VWS weer terug. Terwijl dit kabinet juist zegt in te willen zetten op preventie en het tegengaan van armoede bij kinderen. Kan de staatssecretaris vandaag duidelijkheid geven aan UNICEF dat zij door kunnen met hun goede werk?
Inbreng Tijs van den Brink (CDA)
Bestaanszekerheid in Caribisch Nederland gaat over iets heel fundamenteels: de vraag of inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba daadwerkelijk rond kunnen komen van hun inkomen.
Mijn fractie ziet dat de afgelopen jaren belangrijke stappen zijn gezet. Het minimumloon is verhoogd, uitkeringen zijn verhoogd en er zijn maatregelen genomen om bepaalde kosten te verlagen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de opgave nog groot is. Armoede op Bonaire ligt nog altijd vele malen hoger dan in Europees Nederland en een aanzienlijk deel van de inwoners behoort tot de groep werkende armen.
Het kabinet heeft aangegeven dat wordt toegewerkt naar een leefbaar sociaal minimum op basis van de adviezen van de commissie Thodé. Dat is een belangrijke stap. Tegelijkertijd zien we dat het minimumloon en de onderstand wel zijn verhoogd, maar dat veel huishoudens nog steeds moeite hebben om rond te komen. De kosten van levensonderhoud zijn immers hoog en stijgen soms sneller dan de inkomens.
Daarom de vraag aan de staatssecretaris: hoe beoordeelt hij op dit moment de afstand tussen het huidige inkomensniveau en het sociaal minimum dat volgens de voorbeeldbegrotingen nodig is om daadwerkelijk rond te komen? En kan hij aangeven welke stappen de komende jaren nog nodig zijn om dat sociaal minimum daadwerkelijk te bereiken?
Mijn tweede punt betreft de kosten van levensonderhoud. Veel inwoners geven aan dat niet alleen het inkomen, maar juist de kosten het verschil maken. Dat geldt voor wonen, maar zeker ook voor nutsvoorzieningen. In de stukken lezen we dat subsidies op energie, water en telecom een belangrijke rol spelen om deze basisvoorzieningen betaalbaar te houden. Tegelijkertijd zien we dat sommige van deze subsidies tijdelijk zijn en mogelijk aflopen.
Daarnaast heeft het kabinet een brede koopkracht-envelop vrijgemaakt voor Caribisch Nederland van ongeveer €30 miljoen in 2024 en circa €32 miljoen structureel vanaf 2025, terwijl in verschillende Kamerbrieven ook afzonderlijke bedragen voor maatregelen worden genoemd.
Daarom vraag ik de staatssecretaris: kan hij inzichtelijk maken welke maatregelen uit deze koopkracht-envelop worden gefinancierd en welke uit andere begrotingen? En hoe wordt voorkomen dat inwoners worden geconfronteerd met hogere vaste lasten wanneer tijdelijke subsidies aflopen? Kan hij bovendien toezeggen dat Caribisch Nederland structureel wordt meegenomen bij toekomstige koopkrachtmaatregelen?
Mijn derde punt betreft het sociale zekerheidsstelsel. Het stelsel op de BES-eilanden is in ontwikkeling, maar verschilt nog duidelijk van dat in Europees Nederland. Zo ontbreekt nog altijd een werkloosheidsregeling. Mensen die hun baan verliezen vallen daardoor sneller terug op onderstand of hebben nauwelijks een vangnet.
Daarom de volgende vraag aan de staatssecretaris: wat is de stand van zaken van de aangekondigde werkloosheidsregeling voor Caribisch Nederland? En hoe wordt voorkomen dat deze regeling zo beperkt wordt dat zij in de praktijk weinig zekerheid biedt?
Tot slot. De inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn inwoners van Nederland. Zij mogen verwachten dat de overheid zich inzet voor een fatsoenlijk bestaansminimum en voor basisvoorzieningen die betaalbaar blijven. Mijn fractie vindt het daarom belangrijk dat de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet worden voortgezet en waar nodig worden versneld.
Inbreng Annabel Nanninga (JA21), mede namens Groep Markuszower
De laatste jaren is er op het gebied van bestaanszekerheid op de eilanden voldoende gebeurd. Minimumlonen omhoog, uitkeringen omhoog, subsidies op energie, water, telecom. De geldkraan heeft bepaald niet stilgestaan.
Enerzijds was dit noodzakelijk, anderzijds moet wat ons betreft de focus meer komen te liggen op zelfredzaamheid en economische ontwikkeling. Dus: hoe zorgen we dat mensen daar hun eigen inkomen kunnen verdienen, in plaats van afhankelijk blijven van tijdelijke regelingen en subsidies?
We zien ook dat het kabinet zelf zegt dat uitvoeringskracht en absorptievermogen een probleem zijn. Met andere woorden: er kan niet altijd goed worden uitgevoerd wat we hier bedenken. Ook het SEO-rapport laat zien dat het probleem niet zozeer zit in regels, maar in naleving, uitvoering en kennis. Dan moet je dus daar beginnen. Niet meteen weer sleutelen aan systemen of extra geld sturen, maar zorgen dat de basis werkt: handhaving, arbeidsmarkt, ondernemerschap.
Dan wat betreft de kosten voor het levensonderhoud. Die zijn en blijven hoog. Dit komt natuurlijk ook door structurele factoren: kleine schaal, importafhankelijkheid, beperkte concurrentie. Dit hoort nu eenmaal bij het karakter van de eilanden. Op Terschelling kost een pak melk ook meer dan in Harlingen. Kortom, dat is nooit volledig op te lossen.
Anderzijds zien we dat de Iranoorlog deze effecten wel flink versterkt. Vandaar ook de oproep van o.a. Bonaire om extra maatregelen te treffen. Aansluitend kijken we ook naar de inzet op voedselzekerheid, via de stichting CariFoodFund. Het versterken van lokale voedselproductie en ondernemerschap is op zichzelf logisch, juist om de afhankelijkheid van import te verkleinen en de zelfredzaamheid te vergroten. Dat past ook bij de lijn die wij hier bepleiten.
Maar ook hier geldt: het staat of valt met de uitvoering. Er wordt gekozen voor een constructie met een stichting en een revolverend fonds dat leningen verstrekt aan ondernemers en samenwerkt met private financiers. Dat kan werken, maar dit soort constructies vragen wel om strakke sturing en toezicht. Zeker in een omgeving waar toegang tot kapitaal lastig is en risico’s relatief groot zijn.
Dus onze vraag aan het kabinet is: hoe wordt hier concreet op gestuurd? Hoe wordt bepaald welke projecten financiering krijgen, hoe wordt risico gewogen en wat gebeurt er als leningen niet worden terugbetaald? En minstens zo belangrijk: hoe wordt gemeten of dit daadwerkelijk leidt tot meer lokale productie en minder afhankelijkheid van import?
Wij zijn hier dus niet tegen, maar willen wel voorkomen dat dit een goedbedoeld fonds wordt waar geld in verdwijnt zonder dat er structureel iets verandert. Als dit werkt, is het een mooie stap richting meer zelfredzaamheid. Maar dan moet de uitvoering wel echt op orde zijn en moet er continu zicht zijn op effectiviteit.
VVD en GroenLinks-PvdA hebben hun inbreng niet beschikbaar gesteld.
