Aruba Curacao

COLUMN – Een ontdooiend Koninkrijk

Een van de bezwaren die de eilandsraad van Bonaire aanvoert tegen de door Den Haag voorgestelde uitbreiding van het aantal zetels is dat er onvoldoende geschikte kandidaten voorradig zouden zijn op het eiland. Ja, gebrek aan humor kun je de eilandelijke politici niet verwijten. Aan het functioneren van de eilandsraad valt immers niet te merken dat geschiktheid om het mooie ambt van volksvertegenwoordiger waardig te vervullen een criterium is geweest. Sterker nog, er loopt waarschijnlijk op een gemiddelde dag een veelheid aan geschiktere kandidaten rond op de Kaya Grandi dan degenen die de 9 zetels in Passangrahan gekaapt hebben.

Het is juist het niveau waarop al jaren politiek wordt bedreven die menigeen die wél goede bedoelingen heeft ervan weerhoudt zich kandidaat te stellen. Illustratief voor het gebrek aan bestuurlijke kwaliteit (en verantwoordelijkheidsbesef) is dat het de politieke partijen zelfs niet eens lukt de val van een coalitie een beetje ordentelijk te laten verlopen. Terwijl de hoofdrolspelers dat toch vaak genoeg hebben geoefend met een koninkrijksrecord tussentijdse coalitiewisselingen in 15 jaar tijd.

Het nieuwste hoofdstuk in de dorpssoap (die sappiger is dan de smeuïgste Venezolaanse novella) werd geopend door Salma Serberie die uit de fractie van Demokrat stapte, maar niet uit de eilandsraad. Prompt werd ze vanuit coalitiekringen voor zetelrover uitgemaakt, alsof diezelfde coalitie haar bestaan niet dankt aan twee andere overlopers. Wie zijn/haar partij verlaat, moet zijn/haar zetel teruggeven, klinkt het. Maar zoals bijna alles op Bonaire is het anders dan het lijkt: niet mevrouw Serberie heeft de partij verlaten, maar de partij heeft haar verlaten. Door onder aanvoering van een autocratisch leider steeds verder af te dwalen van de sociaaldemocratische grondbeginselen.

Intussen staren de Bonairianen al anderhalve maand in een bestuurlijk zwart gat. Niet dat het veel uitmaakt: sinds de PDB in 2023 een putsch pleegde, was de enige beweging die de coalitie in die twee jaar in gang heeft weten te zetten het wegjagen van de twee enige lichtpuntjes in de duisternis. Al zes weken draaien de partijleiders als katten om de hete brij heen. Iedereen praat met iedereen, soms in alle openheid en soms heimelijk. Vooralsnog sluit iedereen iedereen uit. Al valt niet uit te sluiten dat het misschien alleen maar zo lijkt en verklaren binnenkort de grootste kemphanen elkaar en plein public de liefde. Voor zo kort het duurt, uiteraard.

Laten we een beetje positief het weekend ingaan. De ijstijd in het Koninkrijk die onder het kabinet Schoof was ingetreden, heeft plaatsgemaakt voor de eerste tekenen van een veelbelovende lente. Gisteren deed de nog van nieuwheid glimmende minister-president Rob Jetten iets wat niet eerder in het Koninkrijk is vertoond: hij begon zijn wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad met een 120 woorden tellend statement over de “sterke band” tussen de koninkrijkslanden die van Nederland meer maakt dan “alleen een delta aan de Noordzee.”

De in Nieuwspoort verzamelde parlementaire pers hoorde de premier zeggen dat het “hele Caribische deel van ons Koninkrijk een rijke cultuur, een eigen geschiedenis en veel kleurigheid toevoegt aan wat Nederland is”. En dat het kabinet “uitkijkt naar de goede samenwerking op basis van gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk, met veel kansen aan beide zijden van de oceaan om de samenleving en de economie ook daar te versterken.”

Even later maakte staatssecretaris Eric van der Burg van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid (vanuit Caribisch perspectief dé ideale combi) digitaal kennis met journalisten van Caribische media. Gezeten op de achterbank van zijn dienstauto nam hij, af en toe aan een flesje Coca Cola lurkend, de verslaggevers via de camera van zijn laptop mee op een rit van Den Haag naar Eindhoven. Onderwijl goedgeluimd kritische vragen van o.a. Tito Laclé en Oscar van Dam beantwoordend. Met andere woorden: het voorjaar heeft de winter verdrongen en dat geeft zelfs een door politici aan beide zijden van de oceaan cynisch gemaakte koninkrijksburger als Kadushi moed.

De bundel ‘Kadushi’s Prikkeljaar 2025’ is uit met daarin 50 stekelige columns en een voorwoord van Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme Rabin Baldewsingh.

Morele vraag

Door Rabin Baldewsingh

Wie werkelijk wil begrijpen wat er in het Caribische deel van ons Koninkrijk gebeurt, moet bereid zijn te kijken voorbij de bestuurlijke taal, voorbij de vergadertafels in Den Haag en voorbij de opgetekende beleidsvoornemens. Wie wil weten hoe het leven werkelijk wordt gevoeld, ervaren en doorstaan, moet luisteren naar de stemmen die niet vertegenwoordigd worden, maar wél worden geraakt door besluiten die duizenden kilometers verderop worden genomen.

Eén van de scherpste en meest noodzakelijke stemmen is die van René Zwart: soms venijnig, soms spottend, maar altijd dienend aan één groter doel: (gelijk)waardigheid. Via zijn Kadushi-columns legt hij al jaren bloot wat te vaak verborgen blijft: dat de Caribische eilanden nog altijd leven in een Koninkrijk waar gelijkwaardigheid een belofte is, maar geen werkelijkheid. De columns zijn stekelig, scherp en moreel noodzakelijk. Ze vormen een dossier dat de bestuurlijke realiteit ontleedt: armoede die structureel wordt genegeerd, onderwijs dat niet kan bloeien, gezondheidszorg die mensen in de steek laat, jongeren zonder perspectief, én een democratische ordening waarin politieke verantwoordelijkheid nauwelijks kan worden afgedwongen.

Deze bundel van 50 Kadushi-columns leest als een kroniek van achterstallige rechtvaardigheid. Formeel leven de inwoners in het Koninkrijk der Nederlanden; feitelijk ervaren zij nog te vaak een koloniale bestuurscultuur. Een cultuur die bepaalt, financiert, controleert én oordeelt, terwijl de mensen om wie het gaat vooral moeten ondergaan. Institutionele ongelijkheid is geen abstract begrip. Het meest fundamenteel, en het meest ontwrichtend, is het democratisch deficit dat door deze teksten heen ademt. Beslissingen van ministers in Nederland hebben directe impact op samenlevingen duizenden kilometers verderop, terwijl diezelfde Caribische gemeenschappen géén stem hebben in het parlement dat deze ministers controleert. Het is een ongemakkelijke waarheid: 350.000 inwoners van het Caribische deel van het Koninkrijk leven onder beleid waarvoor zij geen politieke vertegenwoordiging hebben, geen democratische tegenmacht, geen mogelijkheid om op nationaal niveau rekenschap af te dwingen. Dat is geen bestuurlijke nuance, maar een systeemfout die onwaardig is voor wie wij zeggen te zijn.

Als Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme heb ik formeel een mandaat dat alleen Bonaire, Sint Eustatius en Saba omvat. Maar institutionele ongelijkheid houdt zich niet aan juridisch afgebakende grenzen. De pijn van onzichtbaarheid, van uitsluiting, van paternalistisch bestuur; die pijn is voelbaar op alle zes de eilanden. Institutionele discriminatie is niet slechts een theorie uit rapporten, het is de eenzame man die in hongerstaking ging op het Wilhelminaplein in Kralendijk. Het is de vrouw die tijdens een bijeenkomst zei: “Wij betalen belasting, maar we tellen niet mee.” Het zijn jongeren die niet kunnen vertrekken of studeren omdat het financieel onmogelijk is. Het is een onderwijsstelsel dat niet aansluit op de lokale leefwereld en zo dromen smoort.

De kracht van deze bundel is dat zij geen theorie bedrijft, maar recht doet aan de werkelijkheid van mensen. Zij dwingt tot vragen die niet langer mogen worden ontweken: Zijn we bereid macht te delen? Zijn we bereid te luisteren? Zijn we bereid verantwoordelijkheid te dragen voor het Koninkrijk dat we zeggen te zijn? Kadushi houdt een spiegel voor, een ongemakkelijke spiegel. Want gelijkheid bestaat niet zolang de staat zelf ongelijk handelt, beleid dat in Den Haag logisch lijkt op de eilanden leegloopt als een lek vat, en bestuurders verantwoordelijkheid ontlopen met verwijzingen naar schaalgrootte, afstand of complexiteit. Deze columns plaatsen een morele vraag in het midden van het Koninkrijk: kunnen wij onszelf een rechtsstaat noemen als niet elke burger gelijke toegang heeft tot waardigheid, bescherming en politieke invloed?

Laat deze bundel niet passief gelezen worden. Laat deze woorden schuren, irriteren, confronteren, zoals een cactus dat doet. Want het is tijd voor een Koninkrijk waarin inwoners niet alleen formeel burger zijn, maar zich dat ook kunnen voelen.

Rabin Baldewsingh: Geboren als Koninkrijkskind in Suriname, maar nu precies 50 jaar woonachtig in Nederland. Hij is thans Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en zet zich als verbinder en aanjager in voor een Nederland waarin gelijkwaardigheid geen ideaal is, maar realiteit.

Klik HIER om de zojuist verschenen bundel ‘Kadushi’s Prikkeljaar 2025’ gratis te downloaden als pdf of eboek.

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.