Den Haag – Het kabinet erkent dat er “nadere stappen moeten worden gezet” om inwoners van Bonaire beter te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, maar laat de invulling daarvan over aan een volgende regering.
Dat schrijft minister van Klimaat en Groene Groei Sophie Hermans vandaag aan de Tweede Kamer in een eerste reactie op het voor de Nederlandse Staat pijnlijke vonnis in de Klimaatzaak Bonaire. Ook de beslissing al dan niet in hoger beroep te gaan wordt overgelaten aan het aanstaande kabinet Jetten.
Kamerbrief minister Hermans
Op woensdag 28 januari 2026 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de door Greenpeace Nederland aangespannen procedure tegen de Nederlandse Staat over klimaatverandering op Bonaire. Dit is een belangrijke uitspraak met gevolgen voor de inwoners van Caribisch Nederland en Europees Nederland, en voor de inwoners van Bonaire in bijzonder. Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over deze uitspraak en geeft het een eerste duiding. Hiermee wordt tevens voldaan aan de toezegging tijdens het Commissiedebat Mijnbouw van 29 januari jl. om de Kamer zo spoedig mogelijk een eerste analyse van de uitspraak van de rechtbank Den Haag te doen toekomen.
De rechtbank oordeelt dat de Staat met het huidige klimaatmitigatiebeleid voor Europees Nederland en het klimaatadaptatiebeleid voor Bonaire in strijd handelt met verplichtingen die voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de rechtbank weerspiegelt het huidige klimaatmitigatiebeleid geen eerlijke bijdrage van Nederland aan de mondiale inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat onvoldoende tijdige en passende maatregelen zijn genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Ook heeft de Staat de inwoners van Bonaire onvoldoende geïnformeerd over de gevolgen van klimaatverandering en hen onvoldoende bij de besluitvorming over maatregelen betrokken. Dit acht de rechtbank in strijd met het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven.
Ook oordeelt de rechtbank dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Dat is in strijd met het verbod op discriminatie.
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden in nationale regelgeving absolute emissiereductiedoelstellingen voor de gehele economie vast te leggen voor de periode tot 2050, inclusief tussentijdse doelstellingen en reductietrajecten. Deze emissiereductiedoelstellingen dienen te voldoen aan de in VN-verband gemaakte klimaatafspraken. De Staat moet ook de resterende emissieruimte (met een koolstofbudget of op andere wijze) voor Nederland inzichtelijk maken. Daarnaast heeft de rechtbank de Staat bevolen om uiterlijk in 2030 een klimaatadaptatieplan vast te stellen en uit te voeren dat erop is gericht Bonaire ook weerbaar te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het instellen van hoger beroep de werking van het oordeel en de opgelegde bevelen niet opschort.
De uitspraak vraagt om een nadere en zorgvuldige bestudering. Tegelijkertijd is duidelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de tot op heden getroffen maatregelen ter bescherming van de inwoners van Bonaire tegen klimaatverandering onvoldoende zijn. Er zullen nadere stappen moeten worden gezet. Het volgende kabinet zal moeten besluiten over de precieze invulling. Dit geldt ook over het al dan niet instellen van hoger beroep. Ook Greenpeace Nederland kan tegen de uitspraak hoger beroep instellen. Indien hoger beroep wordt ingesteld, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
