Bonaire

COLUMN – Bericht uit Bonaire

In de zondagse estafette-rubriek ‘Bericht uit…’ belichten columnisten uit de Caribische delen van het Koninkrijk bij toerbeurt de kanten van hun eiland waarvan zij vinden dat die de aandacht van alle koninkrijksburgers verdienen. Vandaag komt het bericht uit Bonaire.

Steun uit onverwachte hoek

Door Burney el Hage

Sinds de opname van Bonaire, Saba en Sint Eustatius in het Nederlandse staatsbestel in 2010 en de vorming van de drie Caribisch-Nederlandse openbare lichamen in 2017, verloopt de integratie van de drie eilanden, behoorlijk stroef. Zeker voor wat betreft welvaartsniveau en gelijkheid voor de inwoners. Niet alleen blijkens de statistieken, maar ook voor eenieder die de eilanden bezoekt zijn de ongelijkheid en achterstand evident. Indien integratie zich met dezelfde snelheid als die van de afgelopen vijftien jaar voortzet, zullen de burgers van de eilanden voor de komende eeuw(en) de achterstand betreffende (bijvoorbeeld) armoede en ongelijkheid niet inlopen op hun Europese landgenoten.

De grootste uitdaging hierbij is eigenlijk niet eens zozeer het gebrek aan politieke of bestuurlijke wil, het is meer te wijten aan een hardnekkige misvatting die aan beide zijden van de oceaan lijkt te bestaan. Een misvatting ten aanzien van het waarderen, interpreteren en vaststellen van het zogeheten ‘Caribisch niveau’ voor eilanden die, ondanks de grote afstand tot Europees Nederland, gewoon en simpelweg Nederland zijn.

Dit Caribische niveau bestaat voor vrijwel alles. Sociale voorzieningen, medische voorzieningen, onderwijs, financiële voorzieningen, rechtsbescherming e.d. Het omvat dus ook basale – en soms zelf klassieke – grondrechten van mensen. In Nederland wordt ervan uitgegaan dat voor de Caribisch-Nederlandse eilanden de maatstaven uit de – gehele – Caribische regio dienen te worden gehanteerd, terwijl er eenvoudigweg Nederlandse standaarden (zeker in kwalitatieve zin) moeten worden gehanteerd.

Natuurlijk dient rekening te worden gehouden met de lokale, de (voormalig) Antilliaanse en regionale context en kunnen niet alle maatregelen – genomen in Nederland – zonder meer één op één toegepast worden op de eilanden, en ook niet visa versa. Dit neemt niet weg dat met name de kwalitatieve impact van een maatregel voor gelijke onderwerpen in heel Nederland gelijk zou moet zijn. Het kan niet zo zijn dat er aanzienlijke kwaliteits- of niveauverschillen zijn in bijvoorbeeld zorg, onderwijs of rechtsbescherming, afhankelijk van in welk deel van Nederland je woonachtig bent.

De collectieve basisvoorzieningen dienen op hoofdlijnen gelijk te zijn voor elke burger van Nederland, dus ook die van de Caribische gemeenten. Echter, tot nu toe blijven de betrokken partijen zich beroepen op het eigen gelijk en lijkt er geen ruimte voor reflectie of reconciliatie. En, het lijkt er – zeker op Bonaire – op dat lokale bestuurders genoegen nemen met een lager voorzieningenniveau omdat op die manier de patronage hoogtij kan blijven vieren. Het gevolg is dat op de drie Caribisch-Nederlandse eilanden sommige collectieve voorzieningen om financieel-economische redenen, in afgezwakte vorm of in het geheel, niet worden aangeboden. Dit zou niet acceptabel moeten kunnen zijn binnen het Nederland van vandaag de dag.

Het nieuws dat ING als financiële instelling binnenkort diensten gaat leveren op Saba en Sint Eustatius geeft in dit verband hoop en vertrouwen. Dat een private partij, ondanks het gebrek aan schaalgrootte op de betreffende eilanden en een wellicht minder gunstige businessmodel, toch besluit deze kleine en beperkte markten te gaan bedienen, is niet alleen vanuit praktische overwegingen toe te juichen, maar is ook uit principieel oogpunt lovenswaardig. Een good corporate citizen van Nederland die daad bij woord voegt. Topman Peter Jacobs van ING Nederland belooft dat de bewoners van Saba en Sint Eustatius “dezelfde diensten als inwoners van Texel krijgen”.

Dat Saba, Sint Eustatius en Bonaire na het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen met name door hun kleinschaligheid ervoor gekozen hebben deel te zijn van het Nederlandse staatsbestel is bovenal ingegeven door de wens te overleven binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Dit neemt niet weg dat er daarmee zeker niet gekozen is voor een tweederangs burgerschap.

Armoede en vooral de onmogelijkheid om uit de armoede te komen, heeft bij ons voor een groot deel te maken met ontoegankelijkheid, slechte kwaliteit en te hoge kosten van basale ‘overlevingsinstrumenten’, zoals financiële dienstverlening, water en energie, telecommunicatie, lucht- en zeeverbindingen, voedsel etc. Hopelijk leidt de daad van ING tot reflectie en een ander perspectief binnen de overheden aan beide zijden van de oceaan.

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.