Caribische slachtoffers van de Holocaust

Door John M. Stienen

Dat de Joodse Curaçaoënaar George Maduro tijdens de bezetting van Nederland omkwam in concentratiekamp Dachau is alom bekend. Minder bekend is dat er ook tijdens de Holocaust Joodse inwoners met Caribische roots vermoord werden in de vernietigingskampen. Deze mensen hadden uiteenlopende redenen om hun eiland te verruilen voor het verre en koude Europa. Vaak hadden die overwegingen te maken het gezin of de handel, soms waren andere omstandigheden bepalend. Dat laatste gold zeker voor een aantal psychiatrische patiënten. Hoewel voor sommigen hun Caribische achtergrond juist vluchtmogelijkheden bood, waren zulke mogelijkheden er niet voor iedereen; het minst nog voor de patiënten. Ter gelegenheid van tachtig jaar bevrijding staan we stil bij hun verhalen.

Het gezin Deitelzweig Senior in Hamburg, jaren 1920 (foto: Archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Hamburg

De Duitse havenstand Hamburg was eeuwenlang het centrum van handel met Sint Eustatius en Curaçao. Zo werd er eind zeventiende eeuw indigo in de variant ‘Curassau’ verhandeld en in het laatste kwart van de achttiende eeuw Curaçaose Virginiatabak. In Hamburg-Altona ontstond zo ook een bloeiende Portugees-Joodse gemeenschap. De Curaçaose familie Senior nam in deze gemeenschap een voorname plaats in.

De Curaçaoënaar Alexander Senior was de eigenaar van Senior & Müller W. Deitelzweig Sucursal Export u. Import. Hij trouwde in 1900 in Hamburg met Emma Deitelzweig. Na zijn huwelijk veranderde hij zijn naam in Deitelzweig Senior. In 1916 was hij honorair consul voor Peru. Het paar kreeg in Hamburg vijf kinderen: Juanita, Sol Wilhelm, Edward Albert, Edgar Emanuel en Ellen Silvia. Nadat Hitler aan de macht was gekomen, kregen zij, en andere Curaçaose gezinnen in Hamburg, in toenemende mate te maken met anti-Joodse maatregelen.

Ellen Silvia Deitelzweig Senior kwam in 1934 als leerling-verpleegkundige werken in de Joods-psychiatrische instelling Het Apeldoornsche Bosch. Het Apeldoornsche Bosch was in 1909 opgericht en al snel groeide het uit tot een bloeiende instelling. In moderne, ruime paviljoens werden geesteszieken behandeld volgens de nieuwste inzichten, in de natuur en ver van de grote stad. Een jaar na de komst van Ellen werd haar oudere zus Juanita in de instelling opgenomen. Ellen vervolgde haar carrière als verpleegkundige in diverse ziekenhuizen in Nederland.

Op de vlucht voor de anti-Joodse maatregelen vertrok broer Edgar Emanuel in de herfst van 1937 naar Curaçao en Sol Wilhelm volgde in het voorjaar van 1939. De Caribische achtergrond van hun vader werd zo de redding voor twee van zijn zonen.

Na het overlijden van vader vluchtte ook Edward eind 1939 uit Duitsland en vestigde zich, net als zijn zussen, in Nederland. Hoewel Nederland, dat neutraal wilde blijven tijdens de oorlog, een veilige optie leek, bleek dat allerminst het geval. Na de bezetting werden ook in Nederland anti-Joodse maatregelen ingevoerd.

Ook de op Curaçao geboren Edgard Alvares Correa woonde een aantal jaar in Hamburg. Hij was in 1898 met zijn moeder en twee oudere zussen van Curaçao naar Rotterdam gekomen. Vijf jaar later kreeg hij, op 22-jarige leeftijd, in Alkmaar een onbezoldigde betrekking als volontair in de kaashandel. Vanuit Alkmaar vertrok hij naar Hamburg. Toen hij in 1909 terugkwam naar Nederland werd hij vanwege zijn geestelijke gesteldheid opgenomen in de psychiatrische instelling Voorburg in Vught.

Eilandskinderen

Abigaël Santcroos was het op Curaçao geboren middelste kind (van vijf) van Haim Juda Israel Santcroos en Simha Mendes Chumaceiro. Zij hadden beiden hun jeugd doorgebracht in Amsterdam. Na het emeritaat van Abigaëls vader, die op Curaçao aan de synagoge verbonden was, keerden haar ouders in 1891 terug naar Amsterdam. Abigaël ging mee. Mogelijk hebben zich toen al de psychische problemen geopenbaard die er uiteindelijk toe zouden leiden dat ze in 1909 in Het Apeldoornsche Bosch werd opgenomen.

Vlnr. Edgard Alvares Correa (1880-1944), Marco Gandelman (1919-194x) en Thelma Polak (1920-1943).

Eind 1940 kwam de 19-jarige op Saba geboren Thelma Esther Polak in de instelling werken als leerling-verpleegkundige. Ze was de dochter van de geneesheer op Saba, Maurice Semuel Polak, en Esther Arrias. Het gezin keerde na een kort verblijf op Saba terug naar Suriname. Toen Thelma twee jaar oud was, overleed haar moeder. In de jaren ’30 verhuisde het gezin naar Nederland. Thelma doorliep in Amsterdam de Joodse HBS.

Een jaar voordat het gezin Polak naar Amsterdam verhuisde, kwam ook Mordehai (‘Marco’) Gandelman naar de stad. Ook hij doorliep de Joodse HBS. Zijn vader had zich in 1930 als juwelier gevestigd op Curaçao vanuit de Boekovina; een regio die eerst Oostenrijks was, maar na de eerste Wereldoorlog Roemeens was geworden. Hij stuurde zijn zoon naar Amsterdam voor onderwijs – zowel wereldlijk als geestelijk.

Nadat in de jaren ’30 twee van haar zoons op Java waren overleden, verhuisde de op Curaçao geboren Carolina van Lissa-van Lissa in 1938 op haar oude dag naar Den Haag, waar haar dochter woonde. Ze had een groot deel van haar leven doorgebracht op het eiland Sulawesi in Nederlands-Indië.

De Holocaust in Nederland

In de zomer van 1942 begonnen de deportaties van de Joodse bevolking uit Amsterdam. In de eerste week van deze massale deportaties werd Edward Deitelzweig Senior opgeroepen zich te melden voor deportatie. Hij ging niet. Edward wist tot juli 1943 uit handen van de bezetter te blijven, maar werd daarna alsnog naar Sobibór gedeporteerd.

Ook Marco Gandelman wachtte niet af. Hij probeerde, samen met zijn huisgenoot Hartog Cohen, te vluchten. Ze vertrokken via de Zwitserse weg – een uitgebreid netwerk van passeurs, die doorgaans voor een vergoeding bereid waren vluchtelingen verder te helpen. Op 21 juli 1942 werden ze bij Besançon, dichtbij de Frans-Zwitserse grens, gearresteerd. In augustus werden ze via Drancy gedeporteerd naar Auschwitz. Officieel is Marco nog steeds vermist.

In augustus 1942 begonnen de deportaties ook in Den Haag. Begin december werden zowel Carolina van Lissa-van Lissa als Ellen Deitelzweig Senior naar Westerbork gedeporteerd. Carolina werd, samen met haar dochter, met het eerstvolgende transport naar Auschwitz afgevoerd. Ellen werd als verpleegkundige in het kamp aangesteld. In 1944 werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Begin februari 1945 behoorde ze tot de groep Joodse geïnterneerden die voor losgeld naar het neutrale Zwitserland werd gebracht. Ze overleefde de oorlog.

In de nacht van 21 op 22 januari 1943 ontruimde de bezetter op brute wijze Het Apeldoornsche Bosch. Ruim 1.100 patiënten en personeelsleden werden op een rechtstreeks transport naar Auschwitz gesteld en vermoord. Dit overkwam Abigaël Santcroos en Juanita Deitelzweig Senior. Op 22 januari werden nog eens 250 mensen, grotendeels personeelsleden met hun directe familie, waaronder Thelma Esther Polak, naar Westerbork afgevoerd. Anderhalve week later trouwde ze daar met Izak Cohen. Het echtpaar werd op 2 maart 1943, precies een maand na hun huwelijk, gedeporteerd naar Sobibór.

Na een verblijf van 35 jaar in diverse instellingen werd Edgard Alvares Correa op 14 maart 1944 gearresteerd in het Rijkskrankzinnigensticht in Woensel. Hij werd ruim een week later op transport gesteld naar Auschwitz.

Voorlopige Lijst van namen van gevallenen, Amigoe di Curaçao, 3 februari 1956.

Herinnering

De Stichting ter herdenking van in de Tweede Wereldoorlog Gevallenen van de Nederlandse Antillen deed vanaf onderzoek naar de oorlogsslachtoffers van de eilanden. Dat onderzoek leidde tot een lijst van 129 namen die in 1957 werd vastgesteld. Dat jaar werden de namen aangebracht op een plaquette bij het Monument voor de Gevallenen aan het Waaigat in Willemstad. Ook op de andere vijf eilanden verscheen een gedenkplaat.

Tijdens het onderzoek dat Kapitein-Luitenant ter Zee Jos Rozenburg bijna 60 jaar later deed voor zijn boek ‘De Antillen in de Tweede Wereldoorlog’ bleek dat tientallen namen ontbraken. Belangrijke hiaten waren er vooral bij de koopvaardij en onder de Joodse inwoners van Nederland die op de eilanden geboren waren.

In 2020 publiceerde Herinneringscentrum Kamp Westerbork de kort daarvoor ontdekte dagboeken van Ellen Deitelzweig Senior over haar verblijf in Westerbork en Theresienstadt.

Door het onderzoek van Rozenburg werd in 2021, op haar 101e verjaardag, aan het monument op Saba de naam van Thelma Esther Polak toegevoegd. Een jaar later verscheen haar naam ook, samen met die van Curaçaoënaars Edgard Alvares Correa, Carolina van Lissa-van Lissa en Abigaël Santcroos, op het monument aan het Waaigat.

Omdat Juanita en Edward Deitelzweig Senior en Marco Gandelman buiten het koninkrijk zijn geboren, komen hun namen niet voor in het boek van Rozenburg of op het monument voor de gevallenen.

(Dit artikel is eveneens gepubliceerd in de Amigoe)

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.