Den Haag – In de essaybundel ‘Met het oog op de toekomst’ (behorend bij het rapport ‘Staat van Bestuur 2024’ dat vandaag is verschenen) is een bijdrage van prof.dr. Wouter Veenendaal opgenomen over de besturen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de bestuurlijke relaties met het rijk. Hieronder het laatste hoofdstuk:
Een blik op de toekomst
De politieke integratie van drie kleine Caribische eilanden in Nederland was een gewaagd experiment met een op voorhand onzekere afloop. De drie eilanden zijn zeer klein, maar de bestuurlijke uitdagingen zijn enorm. De historische erfenis van kolonisatie, slavernij, en het grotendeels mislukte experiment van de Nederlandse Antillen heeft ervoor gezorgd dat de eilanden te maken hebben met grote achterstanden in sociaaleconomische ontwikkeling, opleidingsniveau, en politiek-bestuurlijke capaciteit. Kleine Nederlandse gemeenten hebben ook met de negatieve gevolgen van kleinschaligheid te maken, maar deze gemeenten zijn al lange tijd integraal onderdeel van een welvarende Europese democratie. Daar komt nog eens bij dat de eilanden van Caribisch Nederland geografisch (zeer) geïsoleerd zijn: dit zorgt voor economische en militaire kwetsbaarheid, een gebrek aan economische en culturele kruisbestuiving, en een noodzaak om dure infrastructurele verbindingen met de buitenwereld te onderhouden. Saba en Sint Eustatius horen qua omvang weliswaar tot de kleinste Nederlandse gemeenten, maar in tegenstelling tot de meeste gemeenten in Europees Nederland moeten zij wel hun eigen havens, vliegvelden, en andere ingewikkelde infrastructuur onderhouden. Juist omdat de integratie van deze eilanden in Nederland een gewaagd experiment was, lijkt het logisch dat er de Nederlandse regering veel aan gelegen zou zijn om dit experiment te laten slagen. Helaas zijn er in de afgelopen vijftien jaar echter veel fouten gemaakt, en blijkt bovendien steeds opnieuw dat de Nederlandse regering niet bereid of in staat lijkt van deze fouten te leren. De overhaaste invoering van de Amerikaanse dollar als betaalmiddel is een belangrijke fout geweest, net als de keuze om Sint Eustatius in Nederland te laten integreren terwijl de democratische legitimatie daarvoor ontbrak. De gedachte dat het Nederlandse gemeentemodel met haar dualisme tot een versterking van het bestuur op de eilanden zou leiden is achteraf behoorlijk naïef te noemen. En hoewel forse investeringen hebben geleid tot merkbare verbetering van belangrijke sociale voorzieningen, zorgt de aanhoudende armoedeproblematiek en het gebrek aan lokale inspraak ervoor dat de weerstand tegen Nederland alleen maar is toegenomen. Dit wordt nog eens versterkt door de voortdurende onwil van de regering om sociale voorzieningen gelijk te trekken met die in Europees Nederland. Kortom: vijftien jaar na 2010 is de integratie van Caribisch Nederland nog zeker geen succes te noemen, en wordt het op de eilanden zeker niet als zodanig beleefd. Wat betekent dit voor de toekomst? Allereerst moet gesteld worden dat er na 2010 wel degelijk grote verbeteringen op de eilanden tot stand zijn gebracht, die op onderdelen zeker tot een hogere levensstandaard hebben geleid. De armoedeproblematiek en de invoering van sociale voorzieningen zijn lang achtergebleven, maar ook hier worden stappen gezet, zij het zeer langzaam en voorzichtig. De bestuurlijke zwaktes op de eilanden zijn daarentegen grotendeels gelijk gebleven, of misschien zelfs verergerd. Het gaat hier om hardnekkige, aan kleinschaligheid gerelateerde problemen die ook in de toekomst moeilijk op te lossen zullen zijn. Daardoor dringt zich de verwachting op dat Nederland in de toekomst nog nauwer betrokken zal worden bij het bestuur van de eilanden, allicht tegen wil en dank. Hoe Nederland die verantwoordelijkheid oppakt, is van doorslaggevende betekenis voor het oordeel van eilandbewoners over de politieke status van hun eiland. Is er net als tot dusver sprake van eenzijdig Haags ingrijpen zonder te luisteren naar de prioriteiten en ervaringen van eilandbewoners, dan zal de rol van Nederland tot forse weerstand leiden. Is Den Haag daarentegen bereid meer de rol te spelen van een ondersteunende en faciliterende partner, dan zou oordeel van eilandbewoners in positieve zin bijgesteld kunnen worden.
