Den Haag – Denken de minister van BZK Judith Uitermark en staatssecretaris Zsolt Szabó niet hetzelfde over de besteding van de door de regering beschikbaar gestelde 66 miljoen euro voor slavernijprojecten in de CAS-landen en op de BES-eilanden?
Dat wilde de Eerste Kamerfractie van de Partij voor de Dieren weten nadat Szabó bij diverse gelegenheden suggereerde het geld ook te willen inzetten voor projecten die bijdragen aan de economie en de levensstandaard. Die twee zijn nooit genoemd als doelen, erkent Uitermark zonder haar staatssecretaris te willen afvallen: “Hoewel een bijdrage aan de economie en levensstandaard van de lokale bevolking niet voorwaardelijk zijn voor de toekenning van zodanige projectvoorstellen, dragen deze daar naar verwachting wel aan bij.
Antwoorden minister Uitermark over slavernijfonds
De leden van de PvdD-fractie hebben een drietal vragen over het slavernijverleden.
Vraag 1: Kan de regering bevestigen dat de gelden uit het Slavernijfonds besteed dienen te worden aan “kennis en bewustwording, erkenning en herdenken en de doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden”?
Ja.
Vraag 2: De 1,7 miljoen euro waarop de vragen 6 en 7 in de nota naar aanleiding van het verslag betrekking hadden, wordt besteed aan een publiekscampagne die betrekking heeft op discriminatie in het algemeen.
Vraag 2a: Kan de regering bevestigen dat die campagne betrekking heeft op alle vormen van discriminatie en niet specifiek op de doorwerking van het trans-Atlantische slavernijverleden?
Zoals ik in de eerdere beantwoording heb aangegeven, zal de publiekscommunicatie gericht zijn op het vergroten van kennis van burgers over de mogelijkheden om discriminatie te melden, het vergroten van het vertrouwen in de instanties die deze meldingen verwerken, en het wegnemen van eventuele drempels voor het doen van aangifte of melding. Dit heeft betrekking op alle vormen van discriminatie, maar er wordt specifiek rekening gehouden met de meest voorkomende gronden van discriminatie, namelijk herkomst. Ook wordt specifiek rekening gehouden met de verschillende vormen van ervaren discriminatie, zoals alledaags racisme voortkomend uit het slavernijverleden.
Vraag 2b: In de nota naar aanleiding van het verslag lezen de leden: “De publiekscommunicatie zal gericht zijn op het vergroten van kennis van burgers over de mogelijkheden om discriminatie te melden, het vergroten van het vertrouwen in de instanties die deze meldingen verwerken en het wegnemen van eventuele drempels voor het doen van aangifte of melding.”
Strekt dat doel zozeer tot “kennis en bewustwording, erkenning en herdenken en de doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden”, dat een beslag op het Slavernijfonds van 1,7 miljoen euro te rechtvaardigen is? Zo ja, op grond van welke argumenten komt de regering tot dat oordeel? Zo nee, is de regering dan bereid om de 1,7 miljoen euro geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren?
Ja, het doel van de publiekscommunicatie draagt bij aan kennis en bewustwording en doorwerking en verwerking van het trans-Atlantisch slavernijverleden. In de uitwerking van de publiekscommunicatie zal in het bijzonder aandacht zijn voor de meest voorkomende gronden van discriminatie (zoals herkomst) en voor alledaags racisme voortkomend uit het slavernijverleden. Het is onder meer de bedoeling om te gaan werken met ‘testimonials’ en voorbeeldfiguren vanuit de gemeenschappen.
Vraag 3: Vraag 8 is in de nota naar aanleiding van het verslag niet beantwoord.
Vraag 3a: De leden verzoeken de regering om te bevestigen dat het “investeren in tastbare projecten die direct bijdragen aan de economie en levensstandaard van de bevolking” niet vallen onder de voorwaarden voor subsidie uit het Slavernijfonds. Deze zijn overigens uitgewerkt in artikel 2 van de Subsidieregeling maatschappelijke initiatieven van 1 juli 2024, waarin is bepaald:
“De minister kan subsidie verstrekken voor initiatieven in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten behoeve van nazaten van tot slaaf gemaakten, die in navolging van de gemaakte excuses voor het trans-Atlantisch slavernijverleden één of meer van de volgende doelen dienen:
a. het verwerven van een beter begrip van de doorwerking van het slavernijverleden en het tegengaan van de gevolgen van de doorwerking van het slavernijverleden in het heden;
b. de verwerking van het slavernijverleden;
c. het bevorderen van kennis en bewustwording over het slavernijverleden; of
d. de erkenning en herdenking van het slavernijverleden.”.
Vraag 3b: Als moet worden vastgesteld dat de projecten waarover de staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties sprak tijdens de viering van 70-jarig bestaan van het Statuut niet vallen onder de voorwaarden voor subsidiëring uit het Slavernijfonds, kunt u dan bevestigen dat – anders dan in de speech werd aangegeven – het niet zo is dat “de 66 miljoen euro uit het fonds slavernijverleden mogelijkheden voor de eilanden” biedt voor ondersteuning van de door de staatssecretaris aangegeven projecten?
Vragen 3a en 3b beantwoord ik in samenhang. De op 1 juli 2024 in de Staatscourant gepubliceerde subsidieregeling heeft als doel de professionalisering en ondersteuning van maatschappelijke initiatieven die met hun projecten bijdragen aan een of meerdere van de in artikel 2 van de in de subsidieregeling genoemde subsidiedoelen – zoals ook gesteld in de vraagstelling. Voorbeelden van zulke projecten, zoals ook expliciet aangegeven in de toelichting van de subsidieregeling (onder artikel 5, onderdelen 2 en 3) en in mijn eerdere beantwoording, zijn onder andere projecten gericht op economische empowerment van de gemeenschap, bewustwording en educatie over de doorwerking van het slavernijverleden op de mentale en fysieke gezondheid en de ontwikkeling van educatieve programma’s om de veerkracht van de samenleving te vergroten. Hoewel een bijdrage aan de economie en levensstandaard van de lokale bevolking niet voorwaardelijk zijn voor de toekenning van zodanige projectvoorstellen, dragen deze daar naar verwachting wel aan bij.
De leden van de fractie van Volt hebben enkele aanvullende vragen over de consequenties van het amendement van het lid Eerdmans c.s, voor de uitvoering van artikel 14 ‘Slavernijverleden: fonds en herdenkingscomité’.
De regering geeft in de beantwoording van vragen van de leden van de fractie van de PvdD aan dat “de inzet voor 2025 vanuit het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties waarvoor de genoemde 800.000 euro was gereserveerd (…) binnen de staande organisatie [zal] worden opgevangen zonder een beroep te doen op het slavernijfonds”. De leden van de fractie van Volt vragen of de regering kan aangeven waar de 800.000 euro vandaan komt. In het verlengde hiervan informeren zij of de regering hier overleg met betrokken partners over heeft gehad en welke consequenties dit heeft binnen het Directoraat-generaal Koninkrijksrelaties.
Met de zinsnede “de inzet voor 2025 vanuit het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties waarvoor de genoemde 800.000 euro was gereserveerd zal binnen de staande organisatie worden opgevangen zonder een beroep te doen op het slavernijfonds” wordt bedoeld dat er geen additionele middelen worden ingezet voor de uitvoering van de betreffende activiteiten. Voor het overige zullen alle uitvoeringskosten ten laste worden gebracht van het beleidsbudget slavernijverleden. De middelen behouden hiermee hun beleidsdoelstelling en de activiteiten zullen ongewijzigd doorgang vinden. Met betrokken partners is er vanzelfsprekend regulier overleg. Zij zijn geïnformeerd dat het amendement geen consequenties heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden ter uitvoering van het slavernijfonds. Dit alles conform de door de staatssecretaris gedane toezegging tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer.
