De bevriende premiers Don Martina en Joop den Uyl in 1981 tijdens een persconferentie op Schiphol.

Fotograaf: Nationaal Archief

Oud-premier Don Martina overleden

Curaçao – In Willemstad is oud-politicus Don Martina zaterdag op 89-jarige leeftijd overleden. De medeoprichter van de Movementu Antia Nobo (later Partido Man) was twee keer minister-president van de Nederlandse Antillen en sinds 2023 minister van Staat van Curaçao.

Martina was een sociaaldemocraat in hart en nieren die gedreven werd door een groot rechtvaardigheidsgevoel, oog had voor de noden van minderbedeelden en een fervent bestrijder was van nepotisme. Ondanks een broze gezondheid komt Martina’s overlijden onverwacht. In de eerder deze maand verschenen bundel ‘Last of lust?’ blikte hij nog uitgebreid terug op het zeventigjarig bestaan van het Statuut voor het Koninkrijk.

De totstandkoming ervan heeft hij – van 1952 tot 1956 studerend in Nederland – met grote aandacht gevolgd. “Ik besefte dat er iets groots te gebeuren stond; dat er door mijn land, Nederland en Suriname werd onderhandeld over zelfbeschikking. Ik las over de onderhandelingen van de delegaties en de belangrijke rol die Doktòr Moises da Costa Gomez daarbij speelde. Ik denk dat toen, zeventig jaar geleden, de kiem is gelegd voor mijn latere politieke activiteiten.”

Beter omgaan met de ruimte die het Statuut biedt

“De ondertekening van het Statuut in 1954 is een historisch feit dat de overgang van de koloniale status naar interne autonomie markeert. Daarmee werd de wens van ons volk te kunnen beslissen over zijn eigen zaken gehoord. De eilanden van de Nederlandse Antillen als groep en de eilanden zelf werden in staat gesteld met uitzondering van buitenlandse betrekkingen en defensie hun eigen aangelegenheden grotendeels zelf te regelen en dat was een belangrijke stap in het emancipatieproces op weg naar wat in de volksmond ‘baas in eigen huis’ werd genoemd. Het Statuut vervulde het breed levende verlangen van de Curaçaose bevolking om verantwoordelijkheid te dragen voor de lotsbestemming”, aldus oud-premier Don Martina.

De totstandkoming van het Statuut heeft hij – van 1952 tot 1956 studerend in Nederland – met grote aandacht gevolgd. “Ik besefte dat er iets groots te gebeuren stond; dat er door mijn land, Nederland en Suriname werd onderhandeld over zelfbeschikking. Ik las over de onderhandelingen van de delegaties en de belangrijke rol die Doktòr Moises da Costa Gomez daarbij speelde. Ik denk dat toen, zeventig jaar geleden, de kiem is gelegd voor mijn latere politieke activiteiten.”

Na de hogere technische school in Haarlem, zette Martina zijn studie voort, eerst aan de University of the West Indies in Trinidad en daarna aan de Columbia University in New York. “Daar raakte ik geïnspireerd door de strijd van Martin Luther King voor burgerrechten. Het hielp mij het Statuut te doorzien en in de context van de tijdgeest te plaatsen en daardoor beter te begrijpen. Het Statuut geeft de landen ruimte om over veel interne zaken zelf te beslissen. Maar dat brengt ook de verantwoordelijkheid met zich mee goed om te gaan met die vrijheid. Rechten en plichten zijn dezelfde kant van de medaille.”

Schone handen in het bestuur

Terug op Curaçao trof Martina in 1968 een sociaal en etnisch nog even verdeelde samenleving aan als bij zijn vertrek naar Nederland. Toen hij met een clubje gelijkgestemden na de arbeidersopstand van 1969 constateerde dat ook die geen einde had gemaakt aan de door hun verfoeide vriendjespolitiek, richtten ze in 1971 de Movementu Antia Nobo (later Partido Man) op, gestoeld op sociaaldemocratische grondbeginselen en te vergelijken met de (oude) PvdA, waarmee later hechte banden zijn gegroeid.

“Statuut of niet, het waren Nederland, de bisschop en Shell die op Curaçao de dienst uitmaakten. Ons motto was: MAN Limpi den gobièrnu, schone handen in het bestuur. We wilden een einde maken aan het van het koloniale verleden overgehouden systeem van patronage waarbij partijen die aan de macht waren partijleden bevoordeelden en niet-partijleden benadeelden. We waren tegen sociale onrechtvaardigheden in de maatschappij en verkwisting van overheidsgeld en voor verheffing van de arbeidersklasse. We zetten ons niet af tegen het Statuut of Nederland. We moesten zelf instaan voor goed bestuur: autonomie betekent dat je bereid bent verantwoordelijkheid te nemen.”

Martina werd lid van de Eilandsraad, gedeputeerde en later Statenlid. In 1979 won de MAN de landsverkiezingen. Met de Arubaanse MEP en de Bonairiaanse UPB als coalitiegenoten was het eerste kabinet Martina een feit. “Het belangrijkste dossier was de wens van Aruba zich af te scheiden van de Nederlandse Antillen. Ik heb dat altijd gerespecteerd. Ik realiseerde me heel goed dat het vertrek van Aruba voor de eilanden die in de Nederlandse Antillen achterbleven nadelen met zich mee zou brengen. Ik vond het principe, het fundamentele recht op zelfbeschikking, vele malen zwaarder wegen dan eventuele negatieve effecten. Daarom heb ik MEP-leider Betico Croes altijd gesteund.” De besprekingen begonnen formeel in 1981. Minister Van Nederlands-Antilliaanse Zaken Fons van der Stee en Martina wisselden het voorzitterschap af. In 1983 werd overeenstemming bereikt.

Over onafhankelijkheid

Op 29 oktober 1980 hield minister-president Don Martina in het gouverneurspaleis in Willemstad ten overstaan van koningin Beatrix en prins Claus een toespraak over de staatkundige structuur. Een passage daaruit: “Onafhankelijkheid is in de eerste plaats een state of mind, het eist een ombuiging van mentaliteit die door de eeuwen heen aan een afhankelijke opstelling gewend is geraakt. Het volk heeft nieuwe denkpatronen nodig om zich een visie eigen te maken op een toekomst. Dit proces moet geen blinde sprong in het duister zijn, maar het bewust kiezen uit weloverwogen opties. De grote taak die thans voor ons ligt, is om op degelijke wijze het volk in-, voor- en toelichting te verstrekken. Want het is niet de regering, maar het volk van de Antillen zelf dat zich zal moeten uitspreken over het hoe en wanneer van deze grote stap.” Na de verkiezingen van 1985 werd Martina in 1986 opnieuw minister-president, kort nadat voor Aruba de status aparte was ingegaan. “Zoals we hadden voorzien, werd dat gevoeld. Aruba had altijd fors bijgedragen aan de landsinkomsten. We moesten daarom bezuinigingsmaatregelen nemen. Een van de plichten die autonomie met zich meebrengt is dat je een verantwoord financieel beleid voert. Ik ging liever de geschiedenis in als een politicus die de verkiezingen heeft verloren, dan één die het niet heeft gedurfd in het belang van land en volk moeilijke beslissingen te nemen.” In 1988 kwam er een einde aan zijn premierschap en werd Martina Statenlid om in 1999 afscheid te nemen van de politiek.

Een in principe nuttig kader

“Ik ben gedurende mijn gehele politieke loopbaan intensief betrokken geweest bij de veranderingen in het Statuut. Ik was een groot voorstander van het herstructureren van de constitutionele relatie tussen de eilanden en het Koninkrijk der Nederlanden. Mijn focus lag met handhaving van de band met Nederland – want dat wilde de bevolking – op meer controle over de eigen interne aangelegenheden. Een ander punt van aandacht was het democratisch deficit. Ik vond dat het Statuut de eilanden te veel beperkingen oplegde. De staatkundige structuur hield de eilanden nog steeds afhankelijk van Nederland, waardoor hun mogelijkheden zich volledig te kunnen ontwikkelen als zelfstandige entiteiten werden beperkt. De complexe relatie tussen de eilanden en Nederland, met de aanhoudende koloniale dynamiek, belemmerde soms het vermogen van de eilanden om lokale problemen effectief aan te pakken.

Of ik het Statuut in die jaren als een lust of last heb ervaren? Het is een document, een stuk werkelijkheid dat het gevolg is van de geschiedenis en de keuzes die we hebben gemaakt. Ik beschouw het Statuut als een in principe nuttig kader voor zelfbestuur en ontwikkeling. Het is een samenstel van regels hoe de landen in het Koninkrijk met elkaar omgaan, maar het succes wordt bepaald hoe je er met elkaar invulling aan geeft. Bij de ondertekening in 1954 is het belang benadrukt dat in de toekomst naar de geest van het Statuut zou worden gehandeld. Dat is naar mijn mening niet altijd gebeurd.”

Bereid zijn om te leren

“Voor mij is altijd de wens van de bevolking uitgangspunt geweest. Het was en is duidelijk dat de bevolking voor het zijn van ‘baas in eigen huis’ is, maar wel binnen het Koninkrijk. Ik kan mij daar heel goed in vinden. Maar zoals ik eerder stelde: het baas in eigen huis zijn brengt verplichtingen met zich mee. Hebben wij ons huis goed onderhouden en verzorgd?

In mijn toespraak ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het Statuut heb ik gesteld dat de politieke cultuur, dat wil zeggen de wijze waarop wij de regeringsmacht uitoefenen, alsmede de normen en waarden die ons leiden, zich blijkbaar in al die jaren van autonomie niet voldoende hebben ontwikkeld. Natuurlijk, in het Statuut is ruimte voor verbetering, maar we moeten ook onder ogen durven zien hoe wijzelf omgaan met de autonomie die ons zeventig jaar geleden is toegekend.

Volgens onze ouders en grootouders moeten fouten uit het verleden wijze lessen zijn die een succesvollere toekomst garanderen. Mensen die hun geschiedenis niet kennen zijn ertoe veroordeeld om de fouten uit het verleden te herhalen. Als jong land zijn wij onderweg en in voortdurende ontwikkeling. Het is een vereiste dat wij onderweg bereid zijn te leren, fouten te herstellen en verbeteringen aan te brengen. Alleen op die manier kan het land Curaçao volwassen worden, de kwaliteit van bestuur verbeteren, zijn openbare diensten vervolmaken en de voorwaarden scheppen om een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling tot stand te brengen met als doel het welzijn en de welvaart van het volk te verhogen.

Ik vind dat we moeten streven naar een zo groot mogelijke autonomie om vanuit de eigen kracht samen te werken in het Koninkrijk. Zo lang de bevolking kiest voor het Koninkrijk is het de taak van bestuurders er alles aan te doen om het Koninkrijk tot een succes te maken. Ik kan herhalen wat ik tien jaar geleden bij zestig jaar Statuut heb gezegd: De kwaliteit van ons bestuur is de katalysator van de kracht die ons land vooruit zal helpen en ons respect en gezag zal opleveren in onze betrekkingen met andere landen en het Koninkrijk. Wij kunnen het, als we maar willen.”

(Tekst: René Zwart)

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.