Den Haag – “Zeventig jaar geleden ondertekende mijn grootmoeder het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. De basis onder ons Koninkrijksverband. Dit is een dag om te vieren dat wij verbonden zijn in vrijheid!”
Met die verklaring staat koning Willem-Alexander stil bij het feit dat koningin Juliana op 15 december 1954 in de Ridderzaal ‘de grondwet van het Koninkrijk’ ondertekende, waarmee een formeel einde kwam aan de koloniale verhoudingen. Tijdens een toespraak voor Radio Oranje had koningin Wilhelmina daarvoor de voorzet gegeven met de veel aangehaalde woorden “steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan.”

Minder bekend is hoe de Staten van Curaçao daarop met “bewondering en instemming” reageerden, zo blijkt uit het telegram dat naar de vanwege de oorlog naar Londen uitgeweken koningin werd gestuurd met de tekst:
“Eerbiedig moge ik Uwe Majesteit op verzoek Staten doen toekomen volgend telegram: ‘De Staten van Curaçao met bewondering en instemming kennis hebbende genomen van Uwer Majesteits jongste rede verzekeren Uwe Majesteit dat Curaçao met verantwoordelijkheidsgevoel en offerbereidheid zijn aandeel zal bijdragen tot de overwinning en de herrijzenis des Rijks, waarna dit staatsdeel met trots zijn plaats als gelijkgerechtigd deel van het bevrijde Nederlandsche Rijk zal innemen en met alle middelen zal helpen bevorderen dat onder Uwer Majesteits leiding [het Rijk] zijn rechtmatige plaats krijge in de nieuwe wereldorde, die na de overwinning zal worden opgebouwd. Namens de Staten, JH Sprockel, voorzitter, GJ Ferguson, griffier’

(Dit en onderstaand document maken deel uit van het Nationaal Archief. Met dank aan John Stienen voor het ‘spitwerk’)
Moge hieraan toevoegen [dat] voorzitter Sprockel in vergadering Staten gisteravond aldus reageerde op Uwer Majesteits rede eerste gedeelte ‘Het is een strijd tenslotte om levensbeginselen, een strijd voor het vrije volksbestaan, om het vrije denken, om de democratie. In den Atlantischen brief hebben Roosevelt en Churchill die levensbeginselen nogmaals geformuleerd, beginselen door Nederland sinds lange jaren voorgestaan, binnen en buiten het eigen Rijk. De Grondwetsherziening 1922 – laat daaromtrent geen twijfel over – , maar jammer genoeg in de koloniale politiek te laat en te langzaam doorgevoerd. Hoewel dit laatste waar is, mogen wij Nederland toch den lof niet onthouden, dat in tegenstelling met de meeste andere koloniale mogendheden de laatste decennia doelbewust ernaar streefde de bewoners van zijn vroegere koloniën door onderwijs en anderszins op te heffen en te bekwamen om geleidelijk aan het bestuur van eigen land in handen te nemen.
Des te meer valt het te betreuren, dat het proces zich te langzaam voltrok. Na de bezetting van Nederland in mei 1940 echter werd de staatkundige ontwikkeling door de omstandigheden verhaast. Duidelijk sprong toen de toestand als door de Grondwetsherziening van 19222 vastgelegd, in het oog: het Koninkrijk der Nederlanden was niet gevallen, maar bleef in zijn overzeesche staatsdeelen voortbestaan. Het behoud van de overzeesche gebieden bleek van de allergrootste beteekenis voor de Nederlandsche zaak.
Het kleine Curaçao, dat offerbereid, tot de grens van zijn vermogen bijdraagt tot de oorlogvoering, het verheugt zich met den ommekeer ten goede, die in den strijd merkbaar is. Curaçao, dan den tol van zijn trouw aan de Nederlandsche zaak wil betalen, en den vollen cijns van zijn verbondenheid met Nederland en Oranje wil opbrengen, ziet mede reikhalzend uit naar de oplossing van de naoorlogsche problemen, ook van zijn probleem. En dan moeten we erkennen, dat de laatste rede onzer beminde en wijze Koningin Wilhelmina ons een riem onder het hart heeft gestoken. Blijde klanken warden de woorden van Hare Majesteit voor ons oor. Ik citeer uit de rede van Hare Majesteit: ‘Ik begrijp, zonder vooruit te loopen op de toekomstige Rijksconferentie en hare beslissingen dat deze beslissingen zullen zijn gericht op een Rijk waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao zullen deelnemen in volledig zelfbestuur en vrijheid ten opzichte van de eigen binnenlandsche aangelegenheden, doch in bereidheid gezamenlijke bijstand te verleenen. Het is mijn eigen opinie dat de Rijksdeelen in staat zijn hun verantwoordelijkheid zoowel naar binnen als naar buiten te dragen. Dit zal geen plaats laten voor discriminatie wegens ras of nationaliteit, slechts de bekwaamheid hunner individueele burgers en de behoeften hunner verschillende bevolkingsgroepen zullen de regeeringspolitiek bepalen.’ Deze woorden, mijne heeren, stemmen ons tot groote blijdschap. Voor Nederland zal het een voldoening zijn dit de hebben bereikt. Voor Curaçao en de andere overzeesche Staatsdeelen meer dan dat.” Is getekend: gouverneur dr. Piet Kasteel.
Op 15 december (!) 1942, vandaag 82 jaar geleden, kwam het antwoord:

(“Met groote voldoening nam ik kennis van de gevoelens van de Staten van Curaçao en verzoek U mijn dank over te brengen voor hun instemming met de gedachten neergelegd in mijn radiorede. Ik voeg daaraan toe den wensch, dat als de overwinning eenmaal behaald is en de voornemens van thans verwezenlijkt zullen zijn, Curaçao in het Rijksverband een gelukkige toekomst tegemoet moge gaan. WILHELMINA.”
Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties Zsolt Szabó twitterde: “Vandaag vieren we 70 jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Het Statuut vormt al decennia de basis voor samenwerking en groei binnen ons Koninkrijk. Samen blijven we werken aan goed bestuur, solide financiën en economische zelfredzaamheid.”
Lees HIER de toespraak van vicepresident van de Raad van State Thom de Graaf t.g.v. 70 jaar Statuut.
