Door René Zwart
Eindelijk grijpt ‘Den Haag’ in, zal menig Bonairiaan hebben gedacht nadat wnd. rijksvertegenwoordiger Helmond woensdag aankondigde van plan te zijn het Bestuurscollege van Bonaire aan de kant te schuiven door de verantwoordelijkheid over te nemen met het doel een einde te maken aan de uit oogpunt van volksgezondheid, natuur en milieu onhoudbare situatie rond de vuilstort van Selibon bij Lagun.
Eindelijk, want de risico’s bestaan al vele jaren en zijn al even lang bekend bij de betrokken ministeries. Wat meteen de vraag opwerpt waarom de RV niet eerder de publiciteit heeft gezocht om het kennelijke gebrek aan medewerking van het huidige en vorige Bestuurscolleges aan de kaak te stellen. Het komt daardoor nogal onwaarachtig over om de – zeer waarschijnlijk gestichte – branden aan te grijpen om overnight het vertrouwen in het eilandbestuur op te zeggen.
Dat er aan Haagse zijde zorgen bestaan over de onder het huidige Bestuurscollege grotendeels stilvallen van het lokale overheidsapparaat en frustraties zijn over de dwarse houding van gedeputeerde Abraham, rechtvaardigen niet dat het Rijk na jaren wegkijken in één keer van niets doen naar de meest vergaande ingreep doorschiet: het kortwieken van een langs democratische weg aangesteld Bestuurscollege.
Het overslaan van tussenstappen getuigt niet van behoorlijk bestuur. Het is ook nog eens onhandig gecommuniceerd en erger: het is maar zeer de vraag of het de noodzakelijke oplossing echt dichterbij brengt. Daarvoor hebben ministeries immers de loyale medewerking nodig van diezelfde gedeputeerden en de ambtenaren. Dan helpt het niet als je die eerst wegzet als sukkels die er niks van kunnen en om ze vervolgens uit te nodigen samen aan de slag te gaan.
Dat is eerder gebleken toen Nederland ingreep op Sint Maarten en een bataljon politieagenten stuurde. De vraag van de Sint Maartense politieman aan zijn tijdelijke collega op diens eerste werkdag “En, waar gaan we naartoe?” is illustratief voor de totaal mislukte missie. Net als die van het legertje belastingambtenaren dat Nederland losliet op de belastingdienst van Curaçao om achterstanden weg te werken. Ze keerden na een jaartje zongebruind terug, maar de achterstanden zijn groter dan ooit.
Verstandiger was het geweest als de RV op diplomatieke wijze het BC tot medewerking had bewogen. Zelfs een onwillig bestuur zal – wetend hoe gevoelig gezichtsverlies ligt in de Caribische schaamtecultuur – vast braaf meewerken als het voor de keuze wordt geplaatst: verscherpt toezicht of plaatsmaken. In het eerste geval houdt het BC formeel eindverantwoordelijkheid terwijl de ministeries de klus klaren.
Wat ook te denken geeft is de vaagheid over hoe de RV de vuilstort onder controle denkt te krijgen. Afgaande op zijn brief aan het Bestuurscollege lijkt het vooralsnog een papieren exercitie die zich beperkt tot vergunningen, toezicht en handhaving. Wat echt nodig is zijn expertise van afvalmanagement, equipment, handen en een structurele oplossing voor het verantwoord verwerken of afvoeren van afval. En dat wellicht in samenwerking met Curaçao en Aruba en eventueel de Bovenwindse eilanden die – zoals het ‘coördinerende’ ministerie van BZK weet – allemaal met hetzelfde dilemma worstelen.
Het Bestuurscollege van Bonaire wordt het harde verwijt gemaakt zijn taken te verwaarlozen. Daarmee wordt (bewust?) voorbij gegaan aan de rol van het Rijk. Dat heeft nagelaten in 2010 op een groot aantal gebieden een plan te hebben om de decennia lange ontwikkelingsachterstand in Caribisch Nederland weg te werken, maar de eilanden wel te overladen met Nederlandse regels en normen waaraan ze met beperkt bestuurlijke capaciteiten en uitvoeringskracht moeten voldoen.
De bestuurlijke ingreep heeft daarom ook verdacht veel weg van het eigen Haagse straatje schoonvegen. De les voor de Bonairiaanse (en andere Caribische) bestuurders is: voel je niet te groot te erkennen dat je niet alles zelf kunt oplossen.
