Den Haag – De Nederlandse regering volhardt er in zich niet verantwoordelijk te voelen voor de toepassing van door het Koninkrijk geratificeerde mensenrechtenverdragen in de Caribische landen.
Daar komt de reactie van de ministers Uitermark (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en Veldkamp (Buitenlandse Zaken) op neer op kritiek van het College voor de Rechten van de Mens. De landen zelf gaan over medegelding van verdragen, zo benadrukken ze in een brief aan de Tweede Kamer.
Dat laatste gaat niet op voor Caribisch Nederland. Toch maakt de regering voor de toepassing van verdragen een uitzondering voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De beide ministers gaan daar in hun reactie niet op in.
Uit het rapport van het College voor de Rechten van de Mens
De VN-verdragscomités maken zich zorgen om de mensenrechtenbescherming in overzeese gebieden. Zij doen aanbevelingen op een groot scala aan thema’s zoals armoede, geweld tegen vrouwen, en detentieomstandigheden. Een belangrijk terugkerend thema is echter de juridische en feitelijke verschillen in bescherming tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland. Zo zijn belangrijke verdragen als het Verdrag van Istanbul, het VN-Verdrag handicap, en het Facultatief Protocol bij het VN-Antifolterverdrag niet van toepassing op Caribisch Nederland. Dat betekent ook dat Nederland onder deze verdragen niet rapporteert over Caribisch Nederland. Bij het Verdrag van Istanbul heeft de regering een duidelijke route uitgezet voor volledige implementatie van het verdrag,
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat sinds 2010 uit vier autonome landen, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn als bijzondere gemeenten onderdeel van het land Nederland, en worden aangeduid als Caribisch Nederland. Het College is mensenrechtentoezichthouder van heel Nederland, dus óók van Caribisch Nederland, maar niet van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Niet Nederland, maar het hele Koninkrijk is verdragspartij bij internationale verdragen. Toch zijn verschillende mensenrechtenverdragen alleen in (Europees) Nederland van kracht. Wanneer het Koninkrijk partij wordt bij een verdrag, worden de Caribische landen gevraagd of zij willen dat het verdrag ook voor hen geldt. Dit heet medegelding. Voor de gelding van verdragen in Caribisch Nederland is de Nederlandse regering verantwoordelijk. De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) waarschuwde in 2018 dat er een tweedeling in mensenrechten dreigt te ontstaan binnen het Koninkrijk, doordat burgers in het Caribische deel van het Koninkrijk minder rechten hebben dan hun Europese medeburgers. De Rijksministerraad, waarin ook de gevolmachtigde ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten deelnemen, is van mening dat de Caribische landen vanuit hun autonomie zelf verantwoordelijk zijn voor de implementatie van verdragen. Maar de verschillende verdragscomités van de VN spreken dit tegen. Zo benadrukt het CERD dat het Koninkrijk als verdragspartij verantwoordelijk is voor de implementatie en uitvoering van het verdrag in heel haar grondgebied, ook in die delen die een constitutionele autonome status hebben.
Voor verdragen in Caribisch Nederland is de Nederlandse regering verantwoordelijk. Toen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in 2010 onderdeel van het land Nederland werden, besloot de regering om niet meteen alle Nederlandse wetgeving in te voeren. Deze legislatieve terughoudendheid heeft ertoe geleid dat de wetgeving in Caribisch Nederland vaak verouderd is en dat mensenrechtenverdragen vaak nog niet zijn geïmplementeerd. Sinds 2021 is het kabinet overgegaan naar het principe van comply or explain, waarbij wetgeving in Caribisch Nederland in principe hetzelfde moet zijn als in Europees Nederland, tenzij maatwerk nodig is vanwege het geringe aantal inwoners op de eilanden.
