Kun je iemand in Caribisch Nederland met een inkomen van dik drie ton in dollars tot een “kwetsbare groep” rekenen? En is het logisch dat volksvertegenwoordigers zich het vuur uit de pantoffels lopen om te voorkomen dat deze gefortuneerden een ietsiepietsie meer inkomstenbelasting gaan betalen? De Bestuurscolleges en Eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba vinden van wel. Zij eisen in een (uiteraard niet openbaar gemaakte) brief dat het ministerie van Financiën eerst grondig onderzoek doet naar wat zij vrezen verwoestende gevolgen voor eilandgenoten van wie de koopkracht een val dreigt te maken van zo’n 18.000 dollar netto per maand naar een armetierige 17.000 dollar. Een bedrag waarmee – maar dat geheel terzijde – duizenden gezinnen op de eilanden het een jaar moeten zien uit te zingen.
In de brief-op-hoge-poten nemen de eilandbesturen – die zich voor de gelegenheid hebben omgedoopt tot het gewichtiger dan openbare lichamen klinkende ‘de gremia’) – het tevens op voor de kennelijk ook al tot de categorie deerniswekkenden te rekenen hoteluitbaters die volgens het Belastingplan BES 2025 stapsgewijs evenveel vastgoedbelasting moeten gaan bijdragen aan de maatschappij als alle andere ondernemingen en eigenaren van onroerend goed.
Nergens in het Koninkrijk is de weelde zo asociaal verdeeld als in het Caribisch deel: tegenover de groep rijke stinkerds staat een grote meerderheid die nauwelijks kan rondkomen. Dat is niet het verzinsel van een “linkse hond” waarvoor uw columnist regelmatig door de Caribische equivalenten van Dagobert Duck wordt uitgemaakt. Inkomensongelijkheid kan op basis van een niet betwist rekenmodel objectief worden gemeten, de zogeheten Gini-coëfficiënt. Op Bonaire bedraagt die 0,39, op Sint Eustatius 0,41 en Saba 0,36 tegenover 0,29 in Europees Nederland.
Een andere maatstaf is de 80/20 ratio. Op Bonaire heeft 20 procent van de huishoudens met de hoogste inkomens 9,7 keer zoveel inkomen als de 20 procent met de laagste inkomens. In Europees Nederland is dat slechts 4,5 keer. Anders gezegd: het verschil tussen rijk en arm op Bonaire is twee keer groter dan in continentaal Nederland. Op Sint Eustatius is de 80/20 ratio met 11,3 het hoogst. Op Saba is de ongelijkheid met een ratio van 7,1 kleiner.
Deze cijfers zijn voor iedereen terug te vinden op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Op 30 november 2023 heeft het CBS ze vermeld in een persbericht waarin werd gewezen op de buitensporig grote inkomensongelijkheid. Die alarmerende constatering schudde de eilandelijke politici niet wakker. Niemand van hen die toen voorstelde bij de regering aan de bel te trekken. Sterker nog: een delegatie uit Bonaire beklaagde zich er in tijd bij Kamerleden over dat de aangekondigde verhoging van het minimumloon zo zielig was voor werkgevers.
Een bestuurder of volksvertegenwoordiger met een beetje hart in zijn/haar donder hoort niet eerder te rusten dan nadat de Gini-coëfficiënt en de 80/20-regel een beschaafd niveau hebben bereikt. Zoals (inmiddels oud-) staatssecretaris Marnix van Rij, die het Belastingplan BES voor 2025 heeft aangegrepen om de schrijnende kloof tussen welgestelden en achtergestelden een petit peu kleiner te maken. Het voorstel is de ondergrens van de hoogste belastingschijf te verlagen van 322.769 dollar naar 50.000[1]. De zwaarste schouders gaan daardoor over alles wat zij meer dan een halve ton beuren in plaats van nu 30,4% straks 35,4% inkomstenbelasting afdragen.
Je zou mogen verwachten dat de bestuurders en politici op de eilanden – met de strijders voor een sociale en solidaire samenleving voorop – het met applaus verwelkomen, maar niets is minder waar. Het is juist hun allergrootste grief tegen het Belastingplan, met als tweede de 1% verhoging van de vastgoedbelasting voor de als een tierelier draaiende hotels.
Dat Caribische politici de kant van de bevoorrechten versus de minderbeelden kiezen laat zich eenvoudig verklaren. Om, bij afwezigheid van ideologie, bij verkiezingen toch een zetel (en dus de bijbehorende beloning en belastingvrije neveninkomsten zoals een riante daggeldvergoeding tijdens buitenlandse tripjes) veilig te stellen, zijn sponsors onmisbaar en die vind je uiteraard niet onder armoedzaaiers. Dat zou geen excuus mogen zijn de slippen te dragen van de inhaligen, maar ze doen het en ook nog eens zonder gêne.
Voorzitter van de vakbond Union Sindikal Boneriano Nòchi Willem betichtte het Bestuurscollege van Bonaire deze week van “nalatigheid” door niets te doen tegen exorbitante prijsstijgingen van eerste levensbehoeften. De Eilandsraad verweet hij een “totaal gebrek” aan aandacht voor de noden van de circa 4.000 gezinnen die – ondanks de verhoging van het minimumloon en uitkeringen – nog steeds grote moeite het hoofd boven water te houden, mede door het in een onverklaarbaar straf tempo duurder worden van het dagelijkse leven.
Met een fractietoelage van slechts 88.000 dollar per raadslid moet je wel prioriteiten stellen (het in Den Haag klagen over de rijkeluistax) en ga je al helemaal geen kritische vragen stellen aan de coalitiebaas, want dat staat gelijk aan politieke zelfmoord. Gerespecteerd opinionleader Arthur Sealy merkte op dat de partij die op dit moment op Bonaire zonder enig tegengas de lakens uitdeelt “afkoerst op een autocratische manier van besturen, waarbij alle macht in handen van de leider ligt en een conservatieve, rechtse politiek wordt gevoerd.” De partijkleur rood is het laatste restantje van het geestverwantschap met de sociaaldemocratie.
Vermoedelijk is het tranentrekkende klaagschrift aan Financiën eveneens autocratisch tot stand gekomen en heeft niemand – inclusief als ‘onafhankelijken’ vermomde paladijnen – het gewaagd te zeggen: “Maar, Grote Leider, is het als publieke dienaars niet onze plicht voor de zwakkeren in de samenleving op te komen?” Het is, bij absentie van een moreel kompas, waarschijnlijk niet eens bij ze opgekomen. Raadselachtiger is het waarom Sint Eustatius en Saba zich – en niet voor de eerste keer – voor het Bonairiaanse mestkarretje hebben laten spannen door het 16 kantjes tellende epistel mee te ondertekenen.
Natuurlijk staan daarin niet alleen maar uit een getroebleerd brein ontsproten vooral procedureel geneuzel. Het is zeer terecht dat de gremia zich roeren als Den Haag iets van plan is dat in de eilandelijke praktijk lelijk kan uitpakken. Het is te hopen dat de boekhouders in Den Haag daar serieus naar kijken, maar wat het aanpakken van de inkomensongelijkheid in Caribisch Nederland betreft, mag er best nog een paar tandjes worden bijgezet. Ook al omdat het met name om fiscale redenen uit eigen land gevluchte veelverdieners zijn die wonen en boodschappen voor de autochtone bevolking onbetaalbaar duur hebben gemaakt.
De kers op de taart is deze week Curaçaos gevolmachtigde minister Carls Manuel in hoogst eigen persoon. Hij verving op Facebook zijn profielfoto voor een kiekje waarop hij te zien is, staand op iets wat op een taart lijkt en verpakt als cadeau. Kadushi heeft geen zielenknijper kunnen vinden die in staat was te bedenken welke boodschap Z.E. hiermee wil uitdragen. Voor wie het wel weet, staat een cactus klaar. In cadeauverpakking.

[1] In Europees Nederland bedraagt de inkomstenbelasting tot een inkomen van 75.518 euro 36,93% en daarboven 49,51%.
Kadushi is het buitenbeentje van DossierKoninkrijksrelaties.nl: een stekelige rubriek die soms wel eens ‘au’ kan doen.
