Bonaire

COHO-wet verdwijnt steeds verder achter de horizon

Den Haag – Het Caribisch Orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling verdwijnt steeds achter de horizon. Dat kan worden opgemaakt uit de reactie van het kabinet op het verslag van het Interparlementair Koninkrijksoverleg die staatssecretaris Van Huffelen vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De bewindsvrouw meldt dat het “helaas niet gelukt is” het bestuurlijk overleg tussen haar en de ministers-presidenten – zoals eerder aangekondigd – voor de jaarwisseling te houden. Dat betekent nieuw uitstel voor de reactie van de Rijksministerraad op de kritiek van de vier parlementen op de conceptversie van de consensusrijkswet COHO. Ook de reactie van de Nederlandse regering op het (geheim gehouden) alternatief dat Curaçao, Aruba en Sint Maarten voor de COHO-wet hebben zal door het uitstel op zich laten wachten.

In de brief gaat Van Huffelen in op onder meer het democratisch tekort in het Koninkrijk, de totstandkoming van consensusrijkswetten, het kolonialisme en slavernijverleden en de sargassumproblematiek.

Kabinetsreactie op de afsprakenlijst IPKO september 2022

Zoals ik onlangs tijdens het debat van de begrotingsbehandeling ook heb aangegeven, delen Nederland en de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk een toekomst, waarin we de landen Curaçao, Aruba en Sint Maarten willen steunen bij de diverse opgaven in hun landen.

We kunnen echter alleen concrete resultaten voor mensen bereiken als we ons beter tot elkaar verhouden en onderling intensiever samenwerken. De autonomie van de landen en daarmee de eigen verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in hun land staat daarbij voorop. Het kabinet werkt daarnaast graag mee aan het streven van de landen om uit te groeien tot veerkrachtige en inclusieve samenwerkingen (bedoeld wordt vermoedelijk ‘samenlevingen’; red).

In het verlengde daarvan staat onderling contact hoog op de agenda van het kabinet. Ik hecht dan ook veel waarde aan de ontmoeting tussen de leden van de parlementen van het Koninkrijk tijdens het IPKO. Het is van belang dat we elkaars perspectieven, prioriteiten en culturen leren begrijpen. Ook om te werken aan een betere verstandhouding tussen Nederland en de Caribische Koninkrijksdelen. Ik heb tijdens mijn werkbezoeken de enorme potentie en rijkdom aan kansen op de eilanden gezien. Daarbij heb ik optimisme ervaren bij de mensen die ik sprak. Om de aanwezige kansen te benutten, moeten we nauw samenwerken. Dit vraagt om toewijding van beide kanten.

Ongevraagd advies Raad van State van het Koninkrijk over het Koninkrijk, verdragen en het Unierecht

De delegaties hebben tijdens het IPKO een presentatie ontvangen van twee staatsraden over het ongevraagd advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk over het Koninkrijk, verdragen en het Unierecht. Op 19 september, kort voordat het IPKO van start ging, heeft de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens mij, een nader rapport op dit advies aan de Tweede Kamer aangeboden.In het nader rapport wordt ingegaan op de verschillende aanbevelingen die door de Afdeling zijn gedaan om de verdragspraktijk in het Koninkrijk te verbeteren.

In de Rijksministerraad is besloten deze aanbevelingen zoveel mogelijk op te volgen. Zo worden de Aanwijzingen voor de regelgeving en het Draaiboek voor de regelgeving aangepast, teneinde bij de verschillende vakdepartementen meer bewustzijn te creëren voor het zo vroeg mogelijk betrekken van de Caribische landen bij het onderhandelen en goedkeuren van verdragen. Ook is bijvoorbeeld afgesproken dat in het proces van verdragsonderhandeling en –goedkeuring voortaan meer acht wordt geslagen op de relatie met de waarborgfunctie van het Koninkrijk. Voor een volledig overzicht van alle aanpassingen aan de verdragspraktijk als gevolg van het ongevraagd advies verwijs ik naar het bovengenoemde nader rapport.

Consensusrijkswetten

Naar aanleiding van de recente ervaringen bij de totstandkoming van het (consensus)rijkswetsvoorstel COHO is tijdens het IPKO in brede zin gesproken over het proces van consensusrijkswetgeving. Het IPKO trekt een drietal conclusies uit deze gesprekken, die hieronder kort van een reactie worden voorzien:

Conclusie 1

´De regeringen van de Caribische landen zouden met inachtneming van het dualisme vooraf en in het hele vervolgproces moeten nagaan of er voldoende steun in hun parlementen bestaat om te komen tot een consensusrijkswet. Over de aan- of afwezigheid van voldoende steun zouden Nederlandse parlementariërs en Statenleden elkaar in iedere fase van het totale wetgevingsproces actief kunnen informeren.´

Het is bij het opstarten van een wetgevingsproces altijd goed om na te gaan in hoeverre er draagvlak voor een wetsvoorstel bestaat, in het parlement en daarbuiten. Dat geldt zeker ook voor consensusrijkswetgeving, waarvoor de instemming en het draagvlak van meerdere betrokken parlementen benodigd is. Zo’n draagvlakanalyse mag naar mijn mening echter niet het karakter krijgen van een formele raadpleging van de betrokken parlementen. Dat zou ingaan tegen de constitutionele voorschriften ter zake van het wetgevingsproces, die bij wetgevingsinitiatieven van regeringswege verlangen dat de regering – en ingeval van consensusrijkswetgeving de regeringen – een eigenstandige afweging omtrent een voorstel maakt. Het belang van een dergelijke eigenstandige afweging wordt ook door het IPKO zelf erkend, getuige de zinsnede dat ‘met inachtneming van het dualisme’ tussen de regeringen en de parlementen naar steun voor een voorstel dient te worden geïnformeerd.

Conclusie 2

´Een preciezere en vollediger procesbeschrijving voor de totstandkoming van consensusrijkwetgeving moet aan alle betrokkenen duidelijkheid verschaffen over hun rol en bevoegdheden. Deze procesbeschrijving adresseert de zes hierboven genoemde aandachtspunten. Aldus moet duidelijk worden wie wat doet op welk moment en aan wie welke – eventueel gedeelde – bevoegdheid toekomt.´

Het Statuut bevat geen bepalingen die specifiek betrekking hebben op de totstandkoming van consensusrijkswetgeving. Zoals het IPKO terecht constateert, kan dat tot onduidelijkheid leiden over de precieze bevoegdheden en rollen van de verschillende actoren in het proces van consensusrijkswetgeving. Zo is niet geheel duidelijk op welke manier de Staten van een Caribisch land de consensus ten aanzien van een wetsvoorstel kunnen verbreken. Dit is onwenselijk. Ik ben dan ook graag bereid mee te denken over een procesbeschrijving die, met inachtneming van de bepalingen over rijkswetgeving in Statuut en Grondwet, handvatten ter zake aanreikt. Zulke handvatten kunnen uiteindelijk worden opgenomen in het Draaiboek voor de regelgeving, dat op dit moment ook nog veel procedurele zaken aangaande consensusrijkswetgeving onbesproken laat.

Conclusie 3

´Eerlijke en open onderhandelingen, alsmede transparantie, dialoog en continuïteit in de informatievoorziening zijn belangrijk gedurende het hele proces, in het bijzonder wanneer een mogelijk beroep op de waarborgfunctie ex artikel 43, lid 2, Statuut aan de orde zou kunnen komen.´

Ik ben het met het IPKO eens dat het belangrijk is gedurende het gehele proces zoveel mogelijk transparantie te betrachten en respectvol en eerlijk met elkaar om te gaan. Zo kan het beste worden verzekerd dat consensus over de hele breedte wordt bereikt, uiteraard als gezegd met inachtneming van de bestaande dualistische verhoudingen tussen de regeringen en de parlementen. Het is raadzaam om in dit verband lessen te trekken uit het verleden.

Samenwerking en democratisch deficit

Tijdens het IPKO hebben de delegaties van de parlementen, tegen de achtergrond van een presentatie verzorgd door prof. dr. G.J. Oostindie en dr. W.P. Veenendaal, van gedachten gewisseld over het vraagstuk van het democratisch tekort in het Koninkrijk. Bij de regeringen van de landen wordt er door de parlementen op aangedrongen om te komen tot een mogelijke oplossing van dit democratisch tekort. Zoals eerder aan de Tweede Kamer bericht, heeft het opheffen van het democratisch tekort voor mij prioriteit. Inhoudelijke bespreking van het onderwerp is voorzien tijdens het eerstvolgende bestuurlijke overleg dat tussen mij en de minister-presidenten van de Caribische landen zal plaatsvinden. Het is helaas niet gelukt dat overleg nog in 2022 te plannen. Er wordt nu toegewerkt naar een bijeenkomst in januari. Over de uitkomsten van dit overleg zullen beide Kamers te zijner tijd zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd.

Kolonialisme en slavernijverleden

Het (institutioneel) racisme van vandaag de dag is niet los te zien van eeuwen slavernij en kolonialisme. Het kabinet is dan ook van mening dat de doorwerking van de gevolgen integraal en systemisch aangepakt moeten worden en moedigt toekomstige dialogen tussen de vier landen dan ook aan. Voor het einde van dit jaar komt het kabinet met een reactie op het rapport ‘Ketenen van het verleden’ van het Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden. Want zoals de minister voor Rechtsbescherming tijdens zijn speech op 1 juli 2022 heeft aangegeven, is het van belang dat er erkenning en herkenning komt voor het slavernijverleden.

Om zelf het belang en de betekenis van het slavernijverleden voor het Caribisch deel van het Koninkrijk te horen, zien en ervaren heb ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in september van dit jaar een bezoek gebracht aan de Caribische delen van het Koninkrijk. De ervaringen van deze reis vormen een belangrijk onderdeel van de kabinetsreactie, waarin het kabinet verder in gaat op de wijze waarop zij om wil gaan met ons gedeelde verleden, richting een gezamenlijke toekomst.

Werkbezoeken landbouw, natuur en speciaal sargassum

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de werkbezoeken die de delegaties van het IPKO met betrekking tot bovengenoemde onderwerpen hebben afgelegd.

Natuurbehoud en duurzaamheid in Caribisch Nederland zijn belangrijke thema´s voor het kabinet. Daarom is in 2021 het Natuur en milieubeleidsplan 2020-2030 (NMBP) opgesteld voor Caribisch Nederland. Dit plan heeft als doel om de rijke natuur van Caribisch Nederland te behouden, te beschermen en duurzamer te benutten. Het kabinet zet de komende jaren in op bestrijding van erosie, koraalrifherstel, duurzame kustontwikkeling, effectief afval- en afvalwaterbeheer, educatie en communicatie, landbouwontwikkeling, ruimtelijke ordening en handhaving. Belangrijk onderdeel van het NMBP is de aanpak van sargassum. Dit betreft een wereldwijd probleem dat ook de autonome landen raakt.

Op Curaçao wordt het aangespoelde sargassum tot nu toe door een aannemer verzameld en op terreinen van landbouwers opgeslagen. Door het ziltige karakter is dit niet ideaal. Ik heb vernomen dat in nauwe samenwerking met TNO en de Universiteit van Wageningen, en met ondersteuning van het ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur van Curaçao, literatuur- en veldonderzoek plaatsvindt om te bezien hoe beste met het aangespoelde sargassum kan worden omgegaan. Dit onderzoek wordt onder andere gefinancierd door de RVO. De bedoeling is om het sargassum in de toekomst op het terrein van de Refineria di Korsou tot biofuel te verwerken.

Het openbaar lichaam Bonaire heeft in het kader van het NMBP al een Sargassum Response Plan vastgesteld, waarin is besloten dat de aanpak van sargassum onder de beheertaken van het mariene natuurpark valt. Ook is in het NMBP een koraalherstelplan opgenomen. Dit heeft als doel de afname van koraal te stoppen en bestaande koraalriffen te herstellen en weerbaar te maken voor klimaatverandering. Het kabinet heeft voor de periode 2022-2024 35 mln. euro beschikbaar gesteld voor de eerste fase van het NMBP. Samen met de openbare lichamen is gestart met de uitvoering hiervan. Daarnaast is in het kader van het NMBP het traject gestart om te komen tot een Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma (ROP). Dit ROP zal in 2023 gereed zijn.

Onder andere vanuit het NMBP wordt bovendien op verschillende manieren ingezet op vergroting van de zelfredzaamheid. Via landbouwprojecten, zoals hydroponics op Saba en verduurzaming van de veehouderijen op Bonaire, wordt gewerkt aan het vergroten van de lokale voedselproductie. Ik heb daarnaast vernomen dat op Aruba wordt gesproken over kleinschalige landbouwprojecten die gedeeltelijke importsubstitutie tot doel hebben. Ook zijn voor Caribisch Nederland middelen beschikbaar gesteld om toe te werken naar gemiddeld 80% duurzame elektriciteitsproductie. Het gaat in totaal om 33,6 mln. euro. Deze verduurzaming is niet alleen belangrijk voor natuur en milieu, maar ook vanuit een kosteninvalshoek.

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.