Lees hier wat staatssecretaris Van Huffelen volgens haar ambtenaren moet weten van de Koninkrijksrelaties

Den Haag – Staatssecretaris Alexandra van Huffelen maakt er geen geheim van niet bekend te zijn met haar nieuwe werkterrein, de Koninkrijksrelaties. “Ik heb huiswerk te doen” erkende ze. Een deel van dat huiswerk bestaat uit een introductiedossier. Lees hieronder wat Van Huffelen volgens de ambtenaren van haar ministerie moet weten. Om te beginnen want het de tekst hieronder komt uit Deel 1.

Een Koninkrijk met wederzijdse betrokkenheid

Samen werken aan goed bestuur, veiligheid en econo­misch welbevinden.

Sinds de staatkundige wijzigingen binnen het Koninkrijk in 2010 kent het Koninkrijk met het opheffen van het land de Nederlandse Antillen drie Caribische landen. Naast Aruba (autonoom sinds 1986) zijn dat Curaçao en Sint Maarten. Behoudens koninkrijksaangelegenheden als buitenlands beleid en defensie zijn de landen autonoom. Op grond van het Statuut (art. 36 e.v.) verlenen de vier landen van het Koninkrijk – Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten – elkaar hulp en bijstand.

De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben in 2010 de status van openbaar lichaam verkregen. Zij maken, als soort van bijzondere gemeente, deel uit van het Nederlandse staatsbestel. Er is, anders dan bij de drie Caribische landen, een rechtstreekse ministeriële verantwoordelijkheid voor de drie openbare lichamen (hierna: Caribisch Nederland). Zo is het ministerie van VWS verantwoordelijk voor de gezondheidszorg en het ministerie van OCW voor de kwaliteit van het onderwijs.

Sinds 2020 heeft de COVID-19-pandemie grote invloed op de Caribische delen van het Koninkrijk. De coronacrisis heeft de verscheidene bestaande problemen in de landen omvangrijker en zichtbaarder gemaakt. Die problemen zijn daarmee ook zeer nijpend en urgent geworden. Problemen waarbij al langer binnen het Koninkrijk wordt samengewerkt en Nederland steun biedt vanuit wederzijdse betrokkenheid. Het Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties coördineert deze steun en samenwerking.

Relevante trends

Gevolgen COVID-19 pandemie

De Caribische landen van het Koninkrijk en Caribisch Nederland zijn ongekend hard getroffen door de pandemie. Niet alleen door de uitbraak zelf, maar vooral ook door de gevolgen daarvan. Toerisme is voor een groot deel van de eilanden de belangrijkste economische pijler. De inkom­sten uit toerisme zijn door de crisis voor de (lokale) overheden en private sector in de Caribische landen en Caribisch Nederland zo goed als volledig weggevallen.

De coronacrisis heeft de uitdagingen voor de Caribische delen van ons koninkrijk vergroot. De medische capaciteit is beperkt en gelet op de afhankelijkheid van toerisme heeft de crisis ook een grote sociaal-maatschappelijke invloed. De gevolgen strekken zich uit over vrijwel alle aspecten van de maatschappij: op medisch en sociaal-maatschappelijk gebied, maar tevens op het economische en financiële vlak.

Om de financieel-economische weerbaarheid te vergroten zijn binnen het Koninkrijksverband door Nederland met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten in 2020 afzonderlijke akkoorden bereikt. Met de gesloten akkoorden is door de landen ingestemd met zogenaamde landspakketten, een integraal pakket maatregelen voor structurele hervormingen. Daarmee in samenhang is besloten tot de oprichting van het Caribisch orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling (COHO). Op basis van de afspraken in de landspakketten en de oprichting van het COHO biedt Nederland de landen liquiditeitssteun. De landen zijn in 2021 zonder voorwaarden voorzien van noodsteun (voedselhulp, COVID-zorg).

Het COHO krijgt tot taak om de landen, gericht op het welzijn van de bevolking, te ondersteunen bij de uitvoering van de landspakketten. Daardoor worden hervormingen doorgevoerd, duurzaam houdbare overheidsfinanciën gerealiseerd en de weerbaarheid van de economie versterkt. Dit met inbegrip van de rechtsstatelijke inbedding die daarvoor nodig is. In de Rijksministerraad is met de Caribische landen ook de afspraak gemaakt om het financieel toezicht te versterken en de effectiviteit ervan te vergroten.

Tot het moment dat het COHO is opgericht, bestaat een tijdelijke werkorganisatie (TWO), als onderdeel van DGKR. De tijdelijke werkorganisatie werkt samen met de landen de maatregelen in de landspakketten uit in een uitvoe­ringsagenda, organiseert de ondersteuning en ziet toe op de uitvoering van de afspraken in de uitvoeringsagenda. De uitwerking is onder regie van TWO (opdrachtgever) nadrukkelijk ook een opgave en verantwoordelijkheid van andere departementen. Voor de meeste vakdepartementen betekenen deze activiteiten een uitbreiding van hun takenpakket. BZK stelt daarom zo nodig vanuit het COHO-budget geld ter beschikking aan de vakdeparte­menten voor de benodigde versterking zonder ook daarbij taken of de eindverantwoordelijkheid over te nemen. Bij het formele begin van het COHO worden de taken van de tijdelijke werkorganisatie hier naartoe overgedragen.

Wederopbouw Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius

Op 6 september 2017 liet de orkaan Irma een spoor van vernieling achter op de bovenwindse eilanden. Nederland stond Sint Maarten direct bij met hulp en bijstand (nood­hulpfase) en vervolgens de early recovery fase. Voor de wederopbouw van Sint Maarten werd in totaal € 550 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is maximaal € 470 miljoen. in een trustfonds wederopbouw Sint Maarten onder beheer van de Wereldbank gezet. Met de bijdrage wordt de (materiële en immateriële) wederopbouw van Sint-Maarten ondersteund. Daarmee wordt de vitale infrastructuur hersteld en de weerbaarheid van het land tegen de effecten van mogelijke (natuur)rampen duurzaam vergroot. Voor de wederopbouw van Saba en Sint Eustatius is € 67 miljoen. gereserveerd.

Versterken rechtstaat

Rechtshandhaving en veiligheid zijn aangelegenheden van de landen van het Koninkrijk. BZK stimuleert de versterking van de rechtsstaat in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Daarbij werkt de verantwoordelijk bewindspersoon nauw samen met de betrokken bewindspersonen van Financiën, Justitie en Veiligheid en van Defensie, die de operationele capaciteit voor de ondersteuning en versterking leveren. De Staatssecretaris van BZK stelde bijvoorbeeld eind 2020 via de landspakketten structureel een bedrag beschikbaar oplopend tot 45 miljoen euro in 2025 voor de versterking van het grenstoezicht en voor de uitbreiding van de duurzame ondermijningsaanpak in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Dit aanvullend op het bedrag van ruim 13 miljoen euro, opgenomen in artikel 1 Versterken rechtsstaat van de begroting Koninkrijksrelaties. Verder zet het ministerie van BZK samen met Justitie en Veiligheid in op structurele verbeteringen binnen het gevangeniswezen van Sint Maarten. Ook stimuleert BZK het treffen van maatregelen ter voorbereiding op een (mogelijke) crisis binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk.

Ondersteuning Caribisch Nederland

De ambitie om het sociaaleconomisch perspectief in Caribisch Nederland te verbeteren, heeft de afgelopen periode voorop gestaan in het rijksbeleid. Met het vaststellen van een ijkpunt voor het sociaal minimum is in juni 2019 een belangrijke stap gezet. Doel is de armoede waarin een groot deel van de bevolking leeft terug te dringen. Zo wordt stapsgewijs ingezet op het verhogen van inkomens en het verlagen van kosten van levensonderhoud. De bestrijding van armoede blijft de komende jaren een belangrijke opgave. Om de eilanden zelfstandiger, weerbaarder en robuuster te maken, is daarnaast aandacht nodig voor de versterking van het lokaal bestuur, de uitvoeringskracht van de openbare lichamen, het ontwikkelen van de lokale economie en het verbeteren van het functioneren van de arbeidsmarkt en sociale zekerheid.

Veel van de uitdagingen op de eilanden zijn complex van aard en beslaan vaak meerdere beleidsterreinen. De beperkte absorptiecapaciteit maakt daarnaast dat de eilanden gebaat zijn bij een gerichte en gecoördineerde aanpak van lokale kwesties. Het gaat daarbij om de uitvoering van de taken van de eilanden, de Rijkstaken waar ministeries rechtstreeks verantwoordelijk voor zijn en de samenwerking tussen de openbare lichamen en het Rijk. In 2018 en 2019 zijn daarom meerjarenakkoorden afgesloten met Bonaire en Saba met een looptijd tot en met 2022, zoals het Bestuursakkoord Bonaire en de Saba Package.

BZK coördineert de inzet vanuit de rijksoverheid bij de uitvoering van de akkoorden. Het is gebleken dat een integrale eilandgerichte aanpak recht doet aan de specifieke context en opgaven van de verschillende openbare lichamen. Daarbij werken departementen en lokaal bestuur intensief samen. Een voorbeeld is de samenwerking tussen het openbaar lichaam Bonaire en SZW waar een jobcen­trum is opgericht om werkzoekenden te begeleiden naar een arbeidsplek.

Ingreep Sint Eustatius

Op Sint Eustatius heeft Nederland in 2018 bestuurlijk ingegrepen wegens grove taakverwaarlozing. Op 7 juli 2020 is de Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius aangenomen. Deze wet verlengt de bestuurlijke ingreep op het eiland met het oog op het versterken van de kwaliteit van het bestuur en het ambtelijk apparaat. Tegelijkertijd worden de huidige maatregelen op grond van de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius geleidelijk afgebouwd.

Met deze maatregelen heeft het Rijk de bevoegdheden van de bestuursorganen, gezaghebber, bestuurscollege en eilandsraad in 2018 overgenomen en neergelegd bij een regeringscommissaris. De eerste stap in deze geleidelijke afbouw waren de eilandsraadsverkiezingen in oktober 2020. Op verzoek van het parlement is toegewerkt naar een route-tijdtabel dan wel uitvoeringsagenda. Daarin is op hoofdlijnen aangegeven wanneer Sint Eustatius weer terug kan keren naar de normale bestuurlijke verhoudingen, met bijpassende te bereiken resultaten en realistische streefdata.

Aanbevelingen RvS/IBO

In reactie op aanbevelingen van de Raad van State en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Koninkrijksrelaties (IBO) uit 2019, werken de departementen en de eilanden aan een breed palet aan maatregelen en afspraken. Die verster­ken de Haagse coördinatie en dragen bij aan een verbeterde samenwerking tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Prominent in de kabinetsreactie en de adviezen van de Raad van State staat de vormgeving van eilandelijke uitvoeringsagenda’s (in opvolging van de meerjarenakkoorden) waarin nadere afspraken kunnen worden gemaakt over taakverdeling, het niveau van publieke voorzieningen en de beleidsprioriteiten voor de komende jaren.

Het bestuurlijk en financieel toezicht wordt opnieuw tegen het licht gehouden, evenals de functie van Rijksver­tegenwoordiger en we ontwikkelen een afwegingskader op basis waarvan kan worden bezien of beleidsvoorne­mens nieuwe wet-en regelgeving (al dan niet in aangepaste vorm) van toepassing zou moeten zijn op Caribisch Nederland waarbij ‘comply or explain’ het leidende principe is. Met deze en andere maatregelen wordt geprobeerd een nieuw fundament te leggen onder de onderlinge verhou­dingen en samenwerking de komende jaren tussen Rijk en openbare lichamen.

Interdepartementale samenwerking

Om de diverse opgaven in de Caribische landen en Caribisch Nederland te realiseren, werkt DGKR intensief samen met andere directoraten-generaal van BZK (bijvoorbeeld op het terrein van wonen, democratie, verkiezingen, etc.) en met de andere ministeries.

Voor Caribisch Nederland geldt dat maatregelen en initia­tieven voor Europees Nederland, al dan niet in aangepaste vorm, in toenemende mate ook op Caribisch Nederland van toepassing zijn. Het DGKR fungeert daarbij als spin in het web in het Haagse, brengt de context voor de eilanden tot leven en werkt vanuit een coördinerende rol aan resultaten en uitvoerbaarheid van de plannen van de departementen, gelet op de lokale uitvoeringskracht. Waar nodig of gewenst kan DGKR namens een aantal ministeries een bemiddelen­de of coördinerende rol spelen bij verzoeken om geld, expertise en capaciteit.

Voor de Caribische landen houdt de samenwerking in dat DGKR zorgt voor de inzet van de kennis en expertise waar­over de vakdepartementen beschikken. Andersom is voor de Caribische landen DGKR – waaronder de vertegenwoordiging van Nederland op Aruba, Curaçao en Sint Maarten – een

ingang naar andere departementen. De ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie hebben vanwege hun koninkrijkstaken hierin een eigen verantwoordelijkheid. In voorbereiding op (koude fase) en tijdens (warme fase) crisis heeft DGKR een coördinerende rol, zowel in de regio als in Den Haag, voor het leveren van hulp en bijstand aan de eilanden.

Stuurgoep Caribische delen van het Koninkrijk

Om de interdepartementale inzet richting de Caribische landen en richting Caribisch Nederland gecoördineerd te ondersteunen, is de Stuurgroep Caribische delen van het Koninkrijk (CdKNL) opgericht. Deze stuurgroep op hoog ambtelijk niveau komt onder voorzitterschap van de DGKR maandelijks bijeen en fungeert waar nodig ook als voorportaal voor de Ministerraad en de Rijksministerraad. Zowel voor de Caribische landen als voor Caribisch Nederland is er een interdepartementaal coördinatorenoverleg ingericht als voorportaal voor de Stuurgroep CdKNL.

DG Koninkrijksrelaties

Het Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties (DGKR) zorgt voor de samenwerking met het Caribische deel van het Koninkrijk. DGKR adviseert de verantwoordelijk bewindspersoon op het terrein van de verhoudingen tot de landen en de openbare lichamen. Daarnaast is het directoraat-generaal verantwoordelijk voor wettelijk verankerde taken op het gebied van de koninkrijksrelaties.

Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit de vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Caribisch Nederland bestaat uit de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De zes eilanden samen vormen het Caribisch deel van het Koninkrijk.

DGKR coördineert de samenwerking tussen:

DGKR bestaat uit één directie. Deze directie is opgesplitst in het onderdeel ‘Landen’ en onderdeel ‘Caribisch Nederland’. Beide onderdelen hebben een eigen directeur.

Directeur-Generaal Koninkrijksrelaties: Henk Brons

Caribisch Nederland

Koninkrijksrelaties/Caribisch Nederland (CN) richt zich op het verbeteren van de samenwerking tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Aangezien maatschappelijke opgaven op de eilanden vaak complex zijn en meerdere beleidsterrei­nen beslaan, is een integrale, rijksbrede aanpak en coördinatie cruciaal voor het voeren van effectief beleid op de eilanden.

Maatwerk is hier leidend. Zo bevatten de bestuursakkoorden die met Bonaire en Saba zijn afgesloten de belangrijkste thema’s van de openbare lichamen én van het Rijk. DGKR coördineert door middel van deze afspraken de inzet van de Haagse departe­menten en let op het effect in de uitvoering. Voor Sint Eustatius ligt er gezien de bestuurlijke ingreep een additionele taak: de voortgang op de Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius wordt door DGKR bevorderd en gemonitord. Hierover, alsmede over de voortgang op het sociale en fysieke domein van andere Haagse departementen, wordt halfjaarlijks gerappor­teerd aan de Eerste en Tweede Kamer.

DGKR onderhoudt nauw contact met het bestuur op de eilanden. Samen werken zij aan de versterking van het lokaal bestuur door te investeren in de bestuurs-en uitvoerings­kracht van de openbare lichamen. Zo biedt DGKR opleidingen voor bestuurders en ambtenaren aan. Ook ondersteunt het de samenwerking tussen de openbare lichamen en Europees Nederlandse gemeenten om gericht capaciteit in te zetten in Caribisch Nederland of om tot uitwisseling van ambtenaren te komen. Daarnaast ondersteunt DGKR de openbare lichamen bij initiatieven voor het versterken van de uitvoeringskracht volgens de aanbevelingen van de Raad van State/IBO.

Directeur Caribisch Nederland: René Bagchus

De Rijksvertegenwoordiger

De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba vormt de schakel tussen de Rijksoverheid (in Den Haag) enerzijds en de drie openbare lichamen in Caribisch Nederland anderzijds. Door de Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius naar aanleiding van de bestuurlijke ingreep voert de Rijksvertegenwoordiger zijn taken voor Sint Eustatius niet uit.

De Rijksvertegenwoordiger heeft onder meer als taken het bevorderen van de samenwerking in Caribisch Nederland en het Rijk, het waarborgen en bevorderen van goed bestuur en het toezicht houden op bepaalde besluiten van de eilanden. Ook is de Rijksvertegenwoordiger voor de gezaghebber beschikbaar als tussenpersoon bij veiligheids­vraagstukken zoals een brand, een ramp of een crisis.

Rijkdienst Caribisch Nederland

De Rijkdienst Caribisch Nederland (RCN) is een samenwer­king in de uitvoering tussen verschillende ministeries voor zaken die betrekking hebben op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Elk ministerie is zelf inhoudelijk verantwoordelijk voor het invoeren en het uitvoeren van beleid van dat ministerie. Het werkgeverschap van de rijksambtenaren – exclusief politiekorps en brandweer­korps – in Caribisch Nederland valt onder de minister van BZK en is gedelegeerd aan de directeur van RCN. De huidige directeur RCN is momenteel ook waarnemend Rijksverte­genwoordiger. DGKR ondersteunt het verbeteren van de samenwerking tussen RCN en de openbare lichamen.

SSO Caribisch Nederland

De Shared Service Organisatie Caribisch Nederland (SSO CN) verzorgt de dienstverlening voor alle op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba gevestigde rijksdiensten. De dienstverlening ligt op het terrein van P&O, ICT, Facilitaire Zaken, Inkoop, Financiën en Communicatie. De SSO CN is onderdeel van RCN en valt onder het Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties.

Landen

De verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk worden geregeld door het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit gaat uit van autonomie van de vier landen, maar omvat ook taken voor het Koninkrijk als geheel, evenals bepalingen voor het toezicht om de fundamentele waarden van het bestuur te waarborgen. Hierover gaat de Rijksministerraad. Naast de ministers van Nederland nemen drie gevolmachtigde ministers namens Aruba, Curaçao en Sint Maarten hierin zitting.

Alle onderwerpen die niet als koninkrijksaangelegenheid in het statuut zijn opgenomen, zijn landsaangelegenheden. De aangelegenheden van het Koninkrijk zijn onder meer buitenlandse betrekkingen en de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk (Defensie). Er is daarom voor het hele koninkrijk één minister van Buitenlandse Zaken en één minister van Defensie. Ook de ambassades, consulaten en missies werken voor het hele koninkrijk.

DGKR heeft een coördinerende, faciliterende en ondersteunende rol op koninkrijksbeleid. Om een stabiele financieel-economische ontwikkeling te bevorderen, is door middel van de Rijkswet financieel toezicht (Rft), onafhankelijk financieel toezicht ingesteld voor Curaçao en Sint-Maarten. Voor Aruba is in augustus 2015 een onafhankelijk financieel toezicht vastgelegd per ‘Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht’. Voorzien is dat deze wordt vervangen door een consensus Rijkswet Aruba financieel toezicht (RAft). Op 3 september is dit wetsvoorstel goedgekeurd in de RMR. Ook voor de rechtshandhaving wordt met de landen verder samengewerkt op basis van de consensusrijkswetten.

Naar aanleiding van de COVID-19 crisis verstrekt Nederland liquiditeitssteun, gekoppeld aan afspraken over het doorvoeren van hervormingen om de economie en samenleving van de landen weerbaar te maken. Gewerkt wordt aan de oprichting van het Caribisch orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling (COHO) dat de landen ondersteunt bij de uitvoering van de hervormingen en monitort. Op 24 september heeft de Rijksministerraad hierover een besluit genomen. Tot het moment dat het COHO is opgericht, is er de tijdelijke werkorganisatie (TWO) als onderdeel van DGKR.

Kabinetten van de gouverneur

De landen hebben elk een eigen gouverneur, die de koning vertegenwoordigt als hoofd van hun regering. Het Kabinet van de Gouverneur is het ambtelijke secretariaat van de gouverneur en ondersteunt hem of haar bij het verrichten van zijn of haar taken, zowel op rijksniveau als op landsniveau. Het kabinet vervult een informerende, initiërende en adviserende rol voor de gouverneur over beleid, wetge­ving en uitvoering. Aan het hoofd van het Kabinet van de Gouverneur staat een directeur. BZK heeft een beheersmatige verantwoordelijkheid voor deze organisaties.

Vertegenwoordiging van Nederland op Aruba, Curaçao en Sint Maarten

Als voorpost van de Nederlandse overheid draagt de vertegenwoordiging van Nederland op Aruba, Curaçao en Sint Maarten (VN-ACS) bij aan het onderling samenwerken en een construc­tieve en transparante politiek-bestuurlijke relatie. De voor­posten vertegenwoordigen Nederland bij de regeringen van deze landen. Aan het hoofd van de vertegenwoordiging staat de vertegenwoordiger van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De vertegenwoordiging heeft een vestiging in de drie landen.

Directeur Landen: Saskia de Reuver

Nederland heeft op 10-10-2010 (begindatum van de nieuwe staatkundige verhoudingen) de schulden van de Nederlandse Antillen overgenomen, zodat Curaçao en Sint Maarten met een gezonde financiële positie zouden starten. Deze schuldsanering beslaat een deel van de KR-begroting. Van Aruba, dat sinds 1986 status aparte heeft, zijn geen schulden gesaneerd. Daarnaast is de minister van BZK verantwoordelijk voor het ordelijk en tijdig verlenen van de opdracht tot inschrijving op leningen van Curaçao en Sint Maarten aan het Agentschap van het ministerie van Financiën (lopende inschrijving).

Tot eind 2022 draagt BZK via de eigen begroting bij aan de wederopbouw van de bovenwindse eilanden Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius. Daar hebben de orkanen Irma en Maria in 2017 veel schade veroorzaakt. Een deel van de vrijgemaakte gelden wordt via de begroting van BZK aan de eilanden toegewezen; een ander deel gaat via een trustfund in beheer van de Wereldbank. 2022 is het laatste jaar waarin er nog middelen begroot zijn voor directe hulp vanuit de begroting Koninkrijksrelaties (€ 5 miljoen). Via het trustfund stelt BZK tot en met 2025 geld beschikbaar.

Covid-19 heeft in 2020 grote gevolgen gehad op de Caribische landen en de BES-eilanden. De economie van de eilanden is afhankelijk van toerisme. BZK heeft noodhulp verleend: via het Rode Kruis is er voedselhulp gegeven aan de landen, waarvan de uitvoering in de loop van 2021 overge­dragen wordt aan de landen. De lokale overheid voert zelf de voedselhulp aan de BES-eilanden uit. Daarnaast heeft het kabinet liquiditeitsleningen (met een looptijd tot 10 april 2022) verstrekt aan de landen. Een halfjaar voor het einde van de looptijd zal het kabinet opnieuw onderhan­delen over herfinanciering en (financiële) voorwaarden. Daarnaast heeft het kabinet per land afspraken gemaakt over zowel een investeringsagenda als hervormingen die de landen zelf door moeten voeren.

Momenteel bereiden we de oprichting van het COHO voor (Caribisch orgaan hervorming en ontwikkeling), dat samen met de landen de afgesproken hervormingen verder uitwerkt. In afwachting van de oprichting van het COHO pakt de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) bij DGKR deze werkzaamheden op. De Colleges financieel toezicht (C(A)ft) voeren het toezicht uit op de overheidsfinanciën van zowel de landen als de openbare lichamen. Het Cft en het CAft adviseren de RMR over de liquiditeitsbehoefte van de landen voordat de liquiditeitsleningen vanuit de begroting van KR worden verstrekt.

De begroting van Koninkrijksrelaties bevat ook het BES-fonds als apart begrotingshoofdstuk H. Vanuit het BES-fonds ontvangen de openbare lichamen Saba, Bonaire en Sint Eustatius de vrije uitkering. De openbare lichamen voeren hiermee hun eilandelijke taken uit. De openbare lichamen zijn zelf verantwoordelijk voor de resultaten die ze met hun bijdrage uit dit fonds realiseren. Naast de middelen uit het BES-fonds hebben de openbare lichamen ook nog eigen middelen uit het eigen belastinggebied en ontvangen ze van BZK en andere departementen voor specifieke doelen bijzondere uitkeringen, vergelijkbaar met specifieke uitkeringen aan gemeenten.

Bericht delen
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Advertentie

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.