Een Koninkrijk van last naar lust

Het gebeurt niet vaak dat de Eerste Kamer zo grondig de ontwikkelingen in het Koninkrijk bespreekt als dinsdag gebeurde in het zes uren durende beleidsdebat met staatssecretaris Raymond Knops (BZK). In 10 afleveringen publiceert Dossier Koninkrijksrelaties de inbreng van alle fracties die aan het debat deelnamen. In deze eerste aflevering is het woord aan Paul Rosenmöller (GroenLinks).

“We halen niet het beste in elkaar naar boven”

Onder de kerstboom las ik het boek van staatsraad Paul Comenencia, getiteld ‘Verdeeld koninkrijk. Pleidooi voor nieuw elan in Koninkrijksrelaties’. De titel kon wat mij betreft niet treffender. Zo heb ik het de afgelopen 30 jaar zelf ook ervaren: te veel verdeeldheid, te weinig elan.

In 1991 landde ik voor het eerst op het vliegveld Hato, als lid van de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van de Tweede Kamer. Als parlementariër, en eerlijk gezegd ook als toerist, ben ik er vaak geweest en heb ik er veel geleerd. Ik heb mee mogen werken aan de uitvoering van opdrachten van de koninkrijksregering, onder andere als lid van de Commissie Jesurun, die de basis legde voor de ontmanteling van het land de Nederlandse Antillen en de nieuwe staatkundige verhoudingen per 10-10-10. Die staatkundige structuur is wellicht niet optimaal, maar het was wel waar de landen en de bewoners van de landen voor kozen.

Het Statuut biedt ongelofelijk veel kansen om er een bloeiende relatie van te maken. Dat kan alleen als er gewerkt wordt vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen, als er gedacht wordt in kansen in plaats van bedreigingen en als er bestuurd wordt in het landsbelang in plaats van in het eigenbelang. Helaas is dat te weinig het geval. De vier landen van ons Koninkrijk, die hun gelijkwaardigheid in het Statuut hebben vastgelegd, maar natuurlijk niet gelijk of gelijkvormig zijn, irriteren elkaar te vaak en stimuleren elkaar te weinig. We halen bepaald niet het beste in elkaar naar boven.

“Vanwaar die aanval op de autonomie?”

Te vaak wordt het autonomieargument gebruikt om iets vooral niet te doen, aan beide zijden van de oceaan. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? Waarom zei hij eind mei vorig jaar kort na het uitbreken van de coronacrisis: de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk kunnen hun eigen autonomie niet dragen? Daarmee werd de staatkundige verhouding min of meer failliet verklaard. Een jaar eerder, tijdens een lezing in september 2019, sprak de staatssecretaris nog de verstandige woorden dat aandringen op onderhandelingen over een nieuw statuut het openen van de doos van Pandora was. Vanwaar die aanval vorig jaar op die autonomie? En waar staat de staatssecretaris nu, weer een jaartje later? Ik hoop dat hij een beetje tot bezinning is gekomen.

De staatssecretaris voegde er in de eerste coronagolf nog het volgende aan toe: “Het is eigenlijk een schande dat wij nu duizenden voedselpakketten die kant op moeten sturen om ervoor te zorgen dat mensen de dag doorkomen.” Ik vind dat eigenlijk helemaal geen schande. Een land als Curaçao is de afgelopen drie jaar geconfronteerd met twee immense crisissen: naast corona de Venezuelacrisis, met een enorme instroom van vluchtelingen, die deels in de illegaliteit belandden en deels onder mensonterende omstandigheden werden opgesloten in barakken. We hebben de mensen daar gesproken. Het is een rechtsstaat onwaardig.

Sint Maarten lijdt nog dagelijks onder de gevolgen van de verwoestende orkaan Irma drie jaar geleden. De frustratie onder de bevolking is groot, omdat de ruimhartige financiële steun van Nederland voor de wederopbouw onvoldoende loskomt. Het is geen schande dat een land als Curaçao, met net zoveel inwoners als Apeldoorn, deze crisis niet kan managen, laat staan Sint Maarten. Daarom heeft onze fractie waardering voor het feit dat de Nederlandse regering leningen en giften heeft verstrekt aan de Caribische landen in tijden van crisis.

“Hoeveel sociale achterstand kan het Koninkrijk verdragen?”

De bedragen zijn substantieel, maar eerlijk gezegd vallen ze in het niet bij de tientallen miljarden die we via de EU overhevelen aan landen als Italië en Spanje, om die in de huidige crisis op de been te houden. Die steun noemen wij solidariteit. Dat is ook welbegrepen eigenbelang. De vraag die Kim Putters ooit zo indringend opriep, is: hoeveel ongelijkheid kan een democratische rechtsorde verdragen? Vrij vertaald: hoeveel sociale achterstand kan het Koninkrijk verdragen?

Ook als lid van deze Kamer ben ik de afgelopen twee jaar weer geschrokken van de confrontatie met en de verhalen over de omvang van de armoede in zowel de drie Caribische landen als de drie Caribische Nederlandse eilanden, Bonaire, Statia en Saba. De staatssecretaris spreekt in de stukken over 80.000 mensen die geholpen zijn met en dus afhankelijk zijn van voedselpakketten, door Nederland mogelijk gemaakt. Dat is 20% tot 25% van de bevolking.

In juni 2016 nam deze Kamer de motie-Ganzevoort aan om voor de BES-eilanden een sociaal minimum vast te stellen. Die ijkbedragen zijn er, maar daarin is de te verwachten daling van die hoge kosten van levensonderhoud verdisconteerd. Dat maakt dat de kloof tot de minimale kosten van levensonderhoud groot is. Het reële minimale inkomen van veel bewoners is echt te laag. De armoede is onverminderd groot.

“De toon was te hoog en te hard”

Het verhaal dat de kosten op termijn zullen dalen, zal best waar zijn, maar het duurt simpelweg te lang. En hier is Nederland verantwoordelijk. De Nationale ombudsman schreef anderhalf jaar geleden dat we ons met zijn allen voor de armoede op de BES moeten schamen. Is de staatssecretaris het met ons eens dat er te veel armoede is en dat van de geest van de motie-Ganzevoort, namelijk het vaststellen van een sociaal minimum waardoor mensen in de noodzakelijke levensbehoeften kunnen voorzien, te weinig terecht is gekomen en is hij bereid extra maatregelen te nemen, zodat het armste deel van onze bevolking wordt geholpen?

Terug naar de bijstand die wij de landen het afgelopen jaar hebben geboden. Dat ging niet vanzelf. Nederland stelde in de zomer voorwaarden aan die steun. En dat mag. Harde voorwaarden zelfs, om de noodzakelijke hervormingen af te dwingen. En zelfs dat mag. Maar de wijze waarop de akkoorden over de landspakketten tot stand kwamen, had anders gekund en gemoeten. Als drie landen gewenste hervormingen als een dictaat ervaren, is er iets grondig mis. Ik weet dat de tenen lang kunnen zijn, maar ook vele constructieve krachten hadden voor dit proces geen goed woord over. Een politiek van stikken of slikken past niet in de koninkrijksverhouding.

C’est le ton qui fait la musique. Die toon was te hoog en te hard. Het heeft de verhoudingen onnodig verstoord, want de aanpak om middels landspakketten tot hervormingen en investeringen te komen die structureel bijdragen aan een duurzame economische ontwikkeling op de eilanden is prima. Investeringen op financieel-economisch terrein en in de zorg, het onderwijs en de rechtsstaat zijn broodnodig. In zo’n delicaat proces waarin oude sentimenten en bijzondere gevoelens al snel de kop opsteken, moet je elkaar heel laten en dat is echt iets anders dan pappen en nathouden. Het is een pleidooi om in gezamenlijkheid tot iets te komen, waarbij gever en ontvanger beide trots kunnen zijn op zowel het idee als de uitvoering.

“Een triest dieptepunt”

Inmiddels hebben we kennis kunnen nemen van het advies van de Raad van State betreffende de Rijkswet tot instelling van het Caribisch orgaan voor hervorming en ontwikkeling, de COHO. De Raad van State is buitengewoon kritisch. Hij spreekt van het aantasten van de eigen verantwoordelijkheid en roept de vraag op naar de verenigbaarheid met bepalingen in het Statuut.

Als we een beetje nuchter kijken naar de verhoudingen tussen de landen in het Koninkrijk, zien we dat ze suboptimaal zijn. Wij waarderen de inzet van de staatssecretaris de afgelopen jaren zeer, maar we hebben de bevolking van de diverse eilanden onvoldoende kunnen bereiken of overtuigen. De verkiezingen op Curaçao vorige maand leidden tot fors verlies voor de regeringspartijen PAR en MAN en premier Rhuggenaath, een constructief regeringsleider, werd zo naar de oppositie verbannen.

Een jaar geleden leidden de verkiezingen op Sint Maarten tot een coalitie waarmee het voor de staatssecretaris moeilijk zakendoen is. De petitie van een meerderheid van de Staten waarin Nederland racisme, discriminatie en neokolonialisme wordt verweten, is een triest dieptepunt. De staatssecretaris reageert met het dichtdraaien van de geldkraan. Dat is een nieuwe stap in een escalatiemodel, waar de-escalatie zo gewenst is. Maar ik ben het met de staatssecretaris eens; it takes two to tango.

“Dan doen we toch iets niet goed”

Een halfjaar geleden hadden we verkiezingen op Statia, twee jaar nadat Nederland wel móést ingrijpen in het bestuur daar. De uitslag van die verkiezing was identiek aan de samenstelling van het bestuur vóór dat ingrijpen. Dan doen we toch iets niet goed. Wat is de reflectie van de staatssecretaris op deze analyse van de drie meest recente verkiezingen?

Ik weet zeker dat er in de vier landen voldoende mensen te vinden zijn die zich inzetten voor een onverdeeld Koninkrijk. Daar moeten we het met z’n allen over hebben. Het sluitende antwoord hebben wij ook niet, maar wij weten wel dat gebruikmaken van de kracht van de civil society energie geeft. We moeten scholen hier koppelen, structureel koppelen aan scholen daar. Dat geldt ook voor de zorg en ga zo verder.

Veel verbindingen, veel contacten, veel communicatie: dat werkt. We weten dat investeren in een duurzame, meer gediversifieerde economie banen creëert en de bevolking perspectief biedt. Dat werkt. We weten ook dat kennis van, en begrip voor de specifieke problemen van het besturen van kleine eilanden en landen, helpt. Want elk besluit daar gaat over je buurman of je familie. Maatwerk bieden en recht doen aan diversiteit tussen landen en eilanden; dat helpt. We weten dat rekening houden met verschillen in cultuur helpt, en laten zien dat je de geschiedenis van ons Koninkrijk kent.

“Vrijwillig, maar niet vrijblijvend”

Maar het is ook waar dat de keuze voor het Koninkrijk door de bevolking van de landen een keuze is voor een waardegemeenschap. Het is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Goed en integer bestuur vormen daarin een hoeksteen. En het helpt als niet elk meningsverschil wordt teruggebracht tot onze koloniale geschiedenis. Het helpt ook als wij onze schuchterheid voor die verwijten laten vallen. De grootste opdracht voor het nieuwe kabinet is om het onderlinge vertrouwen te versterken, en van idee naar uitvoering te komen.

De koninkrijksrelaties dienen een hogere prioriteit te krijgen in het nieuwe kabinet. Een hogere prioriteit kan bijdragen aan nieuw elan waar de bevolking van profiteert, een Koninkrijk van last naar lust.

Interruptie Dittrich (D66): Dit is een mooi verhaal. De kern van uw betoog is eigenlijk: meer prioriteit, goede communicatie, samen staan we sterk. Denkt u dat een komende Koninkrijksconferentie daar op een goede manier een rol in zou kunnen spelen?

“Te veel verdeeld, te weinig verbonden”

Rosenmöller: Ik denk het wel. Ik denk dat wij als vier landen intensief met elkaar in gesprek moeten gaan. We moeten een analyse delen, we moeten met elkaar durven zeggen dat we te veel verdeeld zijn en te weinig met elkaar verbonden. Ik denk dat het begint bij die analyse. En daarbij moeten we niet jij-bakken, maar grondig naar elkaar kijken. Wat kunnen we met elkaar beter doen, uiteindelijk in het belang van de bevolking? Want wij zullen het met elkaar eens zijn: die armoedecijfers zijn onacceptabel hoog. Dat is één.

Punt twee gaat over de vraag wat dan de oplossing is. Ik heb een aantal suggesties genoemd, maar de lijst is verre van compleet. De vraag van de heer Dittrich gaat misschien ook terug naar een deel van zijn bijdrage; zo kennen we elkaar denk ik al lang genoeg en daar dienen interrupties ook voor. Ik zou dan zeggen: ja, het idee dat je met elkaar in het Koninkrijk spreekt over de vraag hoe we het beter kunnen doen, kan zeker een onderdeel zijn van die hogere prioriteit die ik graag zou willen. Dat zegt niks over de inspanning van deze staatssecretaris in deze periode, want daar ben ik ook positief over geweest. Het gaat mij eigenlijk meer over het feit dat we, de samenleving én de politiek, veel breder met elkaar moeten investeren in die relatie.

Dittrich: Ik kan daar alleen op zeggen dat ik dat deel. Ik denk ook dat deze gedachtewisseling van belang is. Dit wordt genotuleerd en komt in de stukken te staan, zodat men dit ook aan de overkant van de plas kan lezen.

Volgende aflevering: Elf jaar geleden was het echt beter

Bericht delen
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Advertentie

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.