Eerste Kamer in afwachting antwoord Knops op vragen over geschillenregeling

Den Haag – De Eerste Kamercommissie voor Koninkrijksrelaties is in afwachting van de beantwoording van de vragen die zij ruim een jaar geleden aan staatssecretaris Knops (BZK) heeft gesteld over diens ontwerp-Rijkswet Koninkrijksverschillen. Op !6 maart zegde de bewindsman toe de vragen binnen 2 à 3 weken te beantwoorden.

Knops deed die toezegging tijdens een mondeling overleg waarvoor de commissie hem had uitgenodigd uit vrees dat de antwoorden, na een aantal keren te hebben gerappelleerd nog langer op zich zouden laten wachten. Aanleiding voor die zorg was de melding van de staatssecretaris dat hij het advies van de Raad van State over de COHO-wetgeving wilde afwachten.

Bij het begin van het mondeling overleg haalde de bewindsman onmiddellijk de kou uit de lucht door te beloven de vragen binnen 2 à 3 weken te zullen beantwoorden. Zodra die de Eerste Kamer hebben bereikt, zal zo snel mogelijk een debat worden ingepland. Dat wordt geen formaliteit gegeven het feit dat de Raad van State heeft laten weten dat “de gekozen constructie de beoogde onafhankelijke geschillenbeslechting in gevaar brengt en daarmee zeer ongewenst is”.

Hieronder het letterlijke verslag van het overleg met Knops dat vandaag is vastgesteld

De voorzitter: Een goede morgen allemaal. Aan de orde is een brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 maart jongstleden betreffende de geschillenregeling. Ik heet uiteraard de staatssecretaris van harte welkom in wat wij nu een commissiezaal noemen, maar wat natuurlijk de mooiste zaal van dit gebouw is: de plenaire zaal van de Eerste Kamer. Uiteraard heet ik ook de collega’s heel hartelijk welkom. Wij kijken even naar de staatssecretaris met de wat meer open vraag of hij nog van de gelegenheid gebruik wil maken om vooraf iets te zeggen. Anders gaan de collega’s in de eerste termijn een aantal vragen aan u stellen. Eerst dus even aan de staatssecretaris de vraag of hij nog iets nader zou willen toelichten. Voor het overige heet ik natuurlijk degenen die via de livestream dit debat bijwonen van harte welkom. Ik kijk even naar de staatssecretaris.

Staatssecretaris Knops: Dank u wel, voorzitter. Dank voor de uitnodiging om hierover met u te spreken. Ik heb eerder in een brief al aangegeven dat dat wat mij betreft op korte termijn zou kunnen. Ik begrijp uw ongeduld in dezen, omdat het natuurlijk een geschillenregeling betreft waar al jarenlang over gesproken wordt. Het duurt al zo lang dat ik mij heb voorgenomen, zowel persoonlijk als in mijn ambt, om dat nog binnen mijn ambtstermijn af te ronden, althans de parlementaire behandeling daarvan, omdat ik van mening ben dat dit al veel te lang geduurd heeft. Zoals u weet, heeft daar ook in de Tweede Kamer een extensieve behandeling over plaatsgevonden. Door de mogelijke interferentie van wetsvoorstellen die nu aanhangig zijn bij de Raad van State van het Koninkrijk ten aanzien van de Rijkswet financieel toezicht en het COHO, is het nu zo dat ik in afstemming met de minister-president, die ook medeondertekenaar is van dit wetsvoorstel, u heb verzocht om even geduld te betrachten. Ik denk daarbij eerder aan een week of twee, drie dan aan langere termijnen om te kijken of de reactie van de Raad van State aanleiding geeft om onze memorie van antwoord zodanig aan te passen dat we ook een goede wetsbehandeling hier in deze Kamer kunnen hebben. Dat wilde ik dus even vooraf gezegd hebben.

De voorzitter: Dank voor deze toelichting. Die bevat in ieder geval nog het nieuwe element van een week of twee, drie. Dat stond niet in de brief van 1 maart. Desalniettemin kan ik me voorstellen dat de collega’s uit de commissie een aantal vragen hebben. Ik maak even een rondje. Ik kijk naar mevrouw Jorritsma van de VVD.

Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD): Voorzitter. Ik ben eerlijk gezegd blij met wat de staatssecretaris nu zegt, want de brief was wel erg onduidelijk over hoe lang het nog zou kunnen duren voordat de memorie van antwoord zou komen. Ik denk dat het niet alleen voor mij geldt, maar waarom ikzelf in elk geval en mijn fractie er behoefte aan hebben dat die snel komt, is omdat wij merken dat elk gesprek dat we voeren met onze Antilliaanse vrienden door dat onderwerp belast wordt. De Tweede Kamer heeft samen met een aantal partijen op de Antillen een amendement gemaakt en de wet zodanig gewijzigd dat die in elk geval een redelijk brede steun heeft, ook aan de overkant. Daardoor zeggen wij: we moeten dit toch maar snel gaan behandelen.

Ik zeg hier ook — dan weet iedereen dat maar — dat wij die wet zullen steunen, als die dadelijk in deze Kamer behandeld wordt. Overigens hebben wij best veel opmerkingen en mitsen en maren. Tegelijkertijd betekent geen goed geregelde geschillenbeslechting in elk geval ook een slechtere verhouding. We moeten het zo proberen te doen dat men accepteert dat het niet is wat zij precies wilden, maar het is ook niet precies wat wij wilden. Zo hoort het te gaan in een polder, zou ik bijna zeggen. Daar ben ik dus wel blij om.

Begrijp ik goed dat die andere twee wetsvoorstellen ook binnenkort naar de Tweede Kamer gaan, zodat we dan kunnen zien wat daar precies in geregeld is? Want die hebben wij natuurlijk ook nog niet gezien. Wij moeten zelf nadenken — dan kijk ik naar de voorzitter — over wat dat betekent voor ons debat. Ik had zelf wel behoefte om hier apart over te praten, omdat ik dacht dat het beleidsdebat anders geheel wordt besmet of ingenomen door een discussie over de geschillenbeslechting. Dat zou heel jammer zijn.

De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van Hattem van de PVV-fractie.

De heer Van Hattem (PVV): Dank u, voorzitter. Mijn vragen zitten vooral op de procedure, want ik begrijp dus van de staatssecretaris dat er mogelijk nog een aanpassing komt van de wetsbehandeling. Komt er dan een novelle of een geheel nieuw wetsvoorstel? Gaat dat opnieuw naar de Tweede Kamer? Hoe moeten we dat procesmatig zien? Wat gebeurt er dan met het huidige wetsvoorstel? Wordt dat ingetrokken? Ik wil graag een duidelijke status van wat de bedoeling is en wat de staatssecretaris daarbij voor ogen heeft.

De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Schalk van de fractie van de SGP.

De heer Schalk (SGP): Dank u wel, voorzitter. Mijn vragen zijn eigenlijk al min of meer aan de orde geweest. Maar misschien iets toegespitster nog: kan de staatssecretaris enige openheid van zaken geven over zijn zorgen bij het antwoord van de Raad van State? Want anders zijn we een beetje aan het praten over iets waarvan we niet precies weten waarom dat nog een paar weken extra moet duren.

De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we naar de andere kant van de zaal en geef ik het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.

De heer Dittrich (D66): Dank u wel, voorzitter. Ik zou toch het volgende aan de staatssecretaris willen vragen. Er is dus een amendement ingediend — mevrouw Jorritsma zei het al — met heel veel partijen, ook partijen vanuit Caribisch Nederland. Dat amendement is aangenomen. Vervolgens is er voorlichting aan de Raad van State gevraagd. We weten allemaal dat er heel kritisch — ik geloof dat er in de brief van de Raad van State “zeer ongewenst” stond — op gereageerd is. Daarna is er toch een brief van de regering gekomen waarin staat dat we doorgaan.

Het wetsvoorstel is ingediend in de Eerste Kamer. Nu hoor ik u zeggen: we hebben toch weer contact gehad met de Raad van State en er zijn twee andere wetsvoorstellen waar ook een geschillenregeling in zit. Mag ik u vragen of u dan afwijkt van hetgeen u in de brief heeft geschreven over het advies van de Raad van State? Verschillende fracties hadden er wat opmerkingen over dat het nogal kort gemotiveerd was, om het zo te zeggen. Kunt u ons iets meer duidelijk maken over de ruimte die u ziet om dit in goede banen te leiden, zodat dat toch op een brede meerderheid kan rekenen, in de Eerste Kamer en aan de overkant?

De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Recourt van de fractie van de Partij van de Arbeid.

De heer Recourt (PvdA): Dank, voorzitter. Het gras is me al voor de voeten weggemaaid met de vragen. Nog één precisering. De staatssecretaris verwacht twee tot drie weken. Betekent dit dat het advies van de Raad van State er al is? Of komt dat binnenkort? Wanneer komt dat dan? In aanvulling op vragen van de PVV: het lijkt of de staatssecretaris niet had verwacht dat er een novelle komt. Maar dan zou het over details moeten gaan. Kennelijk is er op de een of andere manier al inhoudelijk zicht op waar de schoen ongeveer wringt. In aanvulling op anderen: kan de staatssecretaris nu al een tipje van de sluier oplichten?

De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Gerkens van de fractie van de Socialistische Partij.

Mevrouw Gerkens (SP): Dank u wel, voorzitter. Ik merk dat we steeds omfloerster gaan spreken over wat u eventueel, zeg ik via de voorzitter, in uw zakje hebt zitten om dit probleem op te lossen, waarbij mijn fractie zich afvraagt … Maar het blijft allemaal heel geheimzinnig, dus misschien moet ik hem straks

gewoon aan het woord laten. Het belangrijkste is natuurlijk dat we hier een voorstel hebben dat op redelijk draagvlak van beide partijen kan rekenen. Dat moeten we zo houden. Ik denk dat iedereen het er wel over eens is dat wat er ligt geen schoonheidsprijs verdient. Maar volgens mij moeten we gewoon van start gaan, want dan kunnen we zien waar we in de loop der jaren nog moeten bijschaven en waar niet. Maar wat u ook gaat doen, kan dat ook op draagvlak rekenen aan de overkant van het water en niet alleen aan de overkant van het plein? Dat zou mijn vraag zijn.

De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Beukering van de Fractie-Nanninga.

De heer Beukering (Fractie-Nanninga): Correct, voorzitter, dank u wel. Er is inderdaad al veel gras weggemaaid. Het gaat eigenlijk om het belang van goede verhoudingen binnen het Koninkrijk. Daar hoort een geschillenregeling bij. Ik ben heel blij om van de staatssecretaris te horen dat we hier binnen enkele weken over gaan praten. Ik ben wel benieuwd of er nog enkele knelpunten zijn die we in de komende weken moeten tackelen. Anders kunnen we zo snel mogelijk van start gaan.

De voorzitter: Dank u wel. Dan permitteer ik het me om nog even met een andere pet op een enkele vraag te stellen namens de fractie van GroenLinks. De eerste vraag die ik zou willen stellen is waarom de staatssecretaris zo expliciet in deze brief heeft opgenomen dat er mede namens de minister-president wordt gesproken. Ik dacht namelijk dat de staatssecretaris altijd namens het hele kabinet sprak.

De tweede sluit eigenlijk aan bij de vraag die in de eerste instantie door de heer Dittrich is gesteld: waarom is er in de brief van 1 maart toch iets gezegd over de koppeling met de twee wetten die voorliggen, nadat het kabinet een reactie heeft gegeven op het stevig geformuleerde advies van de Raad van State, waarin het zegt het niet met de analyse van de Raad van State eens te zijn? Dat ontgaat mij en ons eerlijk gezegd.

Dan een laatste vraag. De laatste zin in de brief van 1 maart is: “Zo spoedig mogelijk hierna zullen we u de memorie van antwoord doen toekomen” — dat is nu in zijn inleiding wat geconcretiseerd, met dank aan de staatssecretaris — “dan wel berichten over de gevolgen van de advisering door de Afdeling voor het traject van het voorstel van rijkswet Koninkrijksgeschillen.” Is dat een diplomatiek geformuleerde zinsnede, die mogelijk preludeert op het intrekken van het wetsvoorstel? Of, als dat niet het geval is: hoe zouden we dit deel van de zin dan moeten duiden?

Dan kom ik weer terug in mijn rol als voorzitter en geef ik het woord aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de beantwoording van de vragen die gesteld zijn in eerste termijn.

Staatssecretaris Knops: Dank u wel, voorzitter. Dank voor de vragen die gesteld zijn. Misschien kan ik beginnen bij de vraag die door mevrouw Jorritsma op tafel is gelegd en het gevoel dat leeft aan beide kanten van de oceaan. We kunnen het  inderdaad geen polder noemen, maar er is wel veel water tussen beide continenten.

De geschillenregeling is een kwestie van fatsoen. Zo zie ik dat ook. Er is ooit afgesproken om die uit te voeren en we weten allemaal hoe ingewikkeld het is. Ik moet zeggen dat het de laatste tijd wat minder het geval is, omdat we ook wat nieuwe uitdagingen in het Koninkrijk hebben, maar tot afgelopen jaar, tot corona, ging elk gesprek — niet alleen in de contacten die u had binnen het IPKO, maar ook in de contacten die ik had — over die geschillenregeling.

Ik ben heel blij dat het in het debat in de Kamer tot een akkoord is gekomen. Je zou kunnen zeggen dat het min of meer een vergelijk is, waarbij alle opvattingen op de een of andere manier recht zijn gedaan en niemand volledig kan zeggen dat hij heeft gekregen wat hij graag zou willen. Het is wat mij betreft wel symbolisch voor de manier waarop we in het Koninkrijk met elkaar omgaan. We blijven het gesprek aangaan. We proberen praktische en pragmatische oplossingen te vinden voor problemen die we zien. Dat geldt ook voor die wetgeving — daar ga ik niet inhoudelijk op in, want daar was dit overleg niet voor bedoeld, hoewel de verleiding groot is, gezien de vragen die gesteld zijn — waarbij die geschillenregeling zelf ook iets is wat in de praktijk moet laten zien of het werkt. Om die reden is ook de evaluatiebepaling daarin opgenomen.

Het amendement van het lid Thijsen heeft brede steun gekregen in de Kamer. U weet allemaal hoe dat gegaan is. De volgorde was niet helemaal correct, om het zo maar te zeggen. Aangezien het raakte aan de Raad van State als Hoog College van Staat zelf, zou het namelijk goed zijn geweest als we aan de voorkant een appreciatie daarvan gekregen hadden. Die is achteraf gekomen. Een aantal van u refereerde daaraan. Maar dat staat er niet aan in de weg dat wij snel zouden moeten kunnen overgaan tot verdere behandeling. Dat is ook echt mijn ambitie. Ik herhaal het hier nog maar even: ik heb de ambitie om binnen twee, drie weken met een mooi antwoord in uw richting te komen.

De interferentie zit hem in het gegeven dat er op dit moment twee andere wetsvoorstellen aanhangig zijn. Zoals gezegd, gaan die over de Rijkswet financieel toezicht voor Aruba en over het COHO, het orgaan voor ontwikkeling en hervorming in de landen. Omdat zowel het voorstel voor de Rijkswet financieel toezicht als het COHO-voorstel elementen van geschilbeslechting omvat en omdat wij inmiddels de beschikking hebben over de teksten en adviezen van de Raad van State — die heb ik net voor het weekend gekregen — zou ik wat meer kunnen zeggen over hoe dat zit en weet ik of er wel of geen sprake is van interferentie.

Aangezien de premier de eerste ondertekenaar is bij dit wetsvoorstel, hebben we — zeg ik ook in reactie op de vraag van de heer Rosenmöller — in het overleg dat ik met hem heb gehad, gekeken naar wat wijs is in dezen. Het is namelijk zo’n belangrijk wetsvoorstel. Het zou heel vreemd zijn als we dadelijk een wetsbehandeling opstarten — of eigenlijk: voortzetten — te beginnen met een memorie van antwoord, en dat dan blijkt dat op basis van de adviezen van de Raad van State ten aanzien van twee andere Rijkswetsvoorstellen interferentie zou plaatsvinden en dat je allerlei reparaties zou moeten doen. Daarvan heb ik gezegd: laten we dat nu even afwachten. Laten we bezien of daar door de Raad van State al dan niet opmerkingen over gemaakt worden die ons aanleiding zouden moeten geven om ons wetsvoorstel aan te passen. Dat is ook de reden voor die brief van 1 maart. Toen wist ik nog niet wat ik nu wel weet. Dat verklaart wellicht de “diplomatieke formuleringen”, zoals de heer Rosenmöller die noemt, die daarin genoemd zijn.

Ik heb op dit moment enige reserve om over de inhoud te gaan spreken. Als ik die toezegging doe over een memorie van antwoord binnen twee à drie weken, zou ik het namelijk — ook in het kader van de procedure — zuiver vinden dat we hier ook een debat kunnen hebben in de Eerste Kamer. Ik ben op dit moment met de landen in gesprek. Ik heb aanstaande donderdag met hen een gesprek om te kijken hoe wij in de procedure omgaan met die twee wetsvoorstellen die nu terug zijn gekomen van de Raad van State met een advies. Die raken de landen natuurlijk ook. In die zin komen hier een paar dingen bij elkaar. Dat is ook de reden geweest om even op de rem te trappen: niet om tot stilstand te komen, maar wel om te zorgen dat het mooi kan synchroniseren.

Dat is ook meteen mijn antwoord op de vraag van de heer Van Hattem, die wat concreter vroeg: wat zijn nu die intenties? De memorie van antwoord is al in voorbereiding. Op basis van de informatie die ik nu heb gekregen in het advies van de Raad van State, ga ik ervan uit dat die memorie van antwoord niet tot grote wijzigingen zal leiden en daarmee een behandeling in de Eerste Kamer niet in de weg staat. Dat is de informatie die ik nu sinds twee, drie dagen heb.

De heer Schalk vroeg, meer inhoudelijk, welke opmerkingen de Raad van State maakt over die twee voorstellen die nu voorliggen. Die vraag heb ik eigenlijk al beantwoord door te zeggen dat ik benieuwd was of de Raad van State, en zo ja, in welke mate, zou ingaan op de regelingen van geschillenbeslechting die in die wetsvoorstellen plaatsvinden en of dat gevolgen zou hebben voor het voorstel voor de geschillenregeling zoals dat door de Tweede Kamer behandeld is en hier dadelijk door de Eerste Kamer behandeld gaat worden. Mijn eerste indruk is dat het allemaal meevalt, en dat dus ook die wetsbehandeling hier gewoon door kan gaan.

De heer Dittrich wijst nog op het feit dat de Raad van State in de brief van de vicepresident heeft aangegeven dat zij niet blij waren met dat amendement dat is ingediend. Daar hebben wij allemaal kennis van genomen. De Rijksministerraad heeft daar eerder juist van gezegd dat op basis van het wikken en wegen en de grote eensgezindheid die er aan de andere kant was om ook met de landen uiteindelijk tot overeenstemming te komen, je een hele goede reden moet hebben om dan weer het hele traject van voor af aan te laten beginnen. In het kader van die afweging heeft de Rijksministerraad eerder aangegeven dat hij voornemens is om die wetsbehandeling ook in deze Kamer voort te zetten. Ik denk dat ik daarmee ook de vraag van de heer Recourt beantwoord heb.

Mevrouw Gerkens heeft net zoals vele anderen aangegeven: er ligt iets, maar is het perfect en ideaal? Dat is het zeker niet, maar er ligt in ieder geval iets. Ik zou vooral heel blij zijn als we dadelijk ook echt iets hebben wat ook kan gaan werken en wat we ook kunnen gaan beoordelen, want uiteindelijk is het iets wat je eigenlijk nooit wil toepassen. Je kunt pas echt beoordelen of het werkt als je het hebt toegepast en als het ooit is toegepast. Vandaar ook die evaluatiebepaling. Het kreeg een hele hoge symboliek, omdat we heel veel conflicten of geschillen zonder regeling ook al met elkaar hebben opgelost. Toch is er ooit afgesproken dat die regeling er moest komen. Het werd ook een symbool, als ik het zo mag zeggen, voor het feit dat ook vanuit de zijde van Nederland er niet geleverd werd en dat iets wat beloofd en afgesproken was niet werd waargemaakt. Ik ben nog altijd van de school dat als je iets met elkaar hebt afgesproken, je dat ook moet doen, ook al is het misschien niet perfect.

De heer Beukering heeft daar ook aan gerefereerd. Er is mij veel aan gelegen, zeker gezien het feit dat wij nu heel veel van de landen vragen en de samenwerking bij die twee voorstellen die net zijn teruggekeerd van advies van de Raad van State de basis vormt voor grootschalige hervormingen binnen de landen. Dat zorgt natuurlijk altijd al voor spanningen in de relatie — dat kunt u zelf volgen in alles wat daarover wordt geschreven — niet alleen tussen de regeringen, maar ook tussen de regeringen in de landen en hun parlementen, waarbij allerlei sentimenten opspelen.

Tegelijkertijd is het wel nodig. Juist in die context is het van belang dat die geschillenregeling uiteindelijk ook tot een regeling komt, nadat die hier in de Eerste Kamer behandeld is.

Voorzitter. Volgens mij heb ik daarmee de vragen zoals ze waren gesteld beantwoord. Zo niet, dan ga ik ervan uit dat u daar nog op terugkomt.

De voorzitter: Volgens mij bent u behoorlijk compleet geweest als het gaat om de vragen van de collega’s, maar ik kijk even of er nog behoefte is aan een korte tweede termijn. Dan kijk ik naar mevrouw Jorritsma. Dat is niet het geval. Meneer Van Hattem? Meneer Schalk? Meneer Dittrich? Als u dat wil, dan doe ik het graag.

De heer Dittrich (D66): Nee, ik wacht af.

De voorzitter: Meneer Recourt? Mevrouw Gerkens? Meneer Beukering? Ook niet. Kan ik dan de volgende conclusie trekken uit dit overleg? Daar waar wij op 1 maart de brief kregen waarin stond dat wij ofwel zo spoedig mogelijk de memorie van antwoord over het wetsvoorstel zouden krijgen, dan wel dat de advisering over die wetsvoorstellen, die u toen nog niet had, gevolgen zou kunnen hebben voor de geschillenregeling, kunt u nu met de kennis die u heeft van de advisering van de Raad van State over die twee wetsvoorstellen zeggen dat de memorie van antwoord over de geschillenregeling op korte termijn naar onze Kamer komt. Is dat de conclusie? Dat is dan denk ik toch de opbrengst. Dat is misschien belangrijk om met elkaar te delen.

Staatssecretaris Knops: Ik zou het niet beter kunnen formuleren, voorzitter. Dit is exact wat ik hier vandaag heb willen melden.

De voorzitter: Die korte termijn heeft u in uw inleiding nog geconcretiseerd naar twee of drie weken. Wij weten natuurlijk niet hoe lang uw ambtsperiode nog duurt, maar dan is het aan ons om dat wetsvoorstel in procedure te nemen en vervolgens voortvarend te handelen. Ik denk dat dat wellicht de conclusie is van dit overleg. 9

Staatssecretaris Knops: Ik ga er natuurlijk niet over, maar ik zou het graag zelf verdedigen hier in deze Kamer. Dat begrijpt u.

De voorzitter: Ik denk dat ik namens de commissie spreek als ik zeg dat wij dat natuurlijk ook willen. Ik denk dat als de memorie van antwoord er is — het heeft nu allemaal lang genoeg geduurd — wij uiteindelijk dit vraagstuk ook hier in deze Kamer moeten bespreken. De heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66): Ik heb een vraag aan u, voorzitter, eigenlijk naar aanleiding van wat mevrouw Jorritsma in het begin opmerkte. Wat betekent dat voor ons debat dat we, ik geloof begin april, gepland hebben?

De voorzitter: Ik zou geneigd zijn om dat eerst even in commissieverband te bespreken. De stand van zaken is zoals we het in de commissie besproken hebben, namelijk dat we op — zoals het er nu naar uit lijkt te zien — 6 april het beleidsdebat Koninkrijksrelaties hebben, met deze staatssecretaris uiteraard. Dat is natuurlijk breder. Dan staat het aan ieder vrij om die onderwerpen waarvan de fracties denken dat ze besproken moeten worden in dit debat aan de orde te stellen. Dat is dus een breder gesprek. Maar ik stel mij voor dat wij uiterlijk volgende week ook even de opbrengst van dit mondeling overleg bespreken in relatie tot zowel het beleidsdebat als de te verwachten datum waarop wij dan de rijkswet over geschillenregeling zouden kunnen behandelen.

Wij nemen dat dus in de commissie mee en de staatssecretaris hoort dan zo snel mogelijk van ons. Is dat de conclusie van dit mondeling overleg? Dat lijkt het geval te zijn. Dan dank ik de staatssecretaris zeer voor de beantwoording van de vragen en de additionele informatie. Ik dank ook de collega’s en de luisteraars via de livestream. Dan beëindig ik dit mondeling overleg van de commissie Koninkrijksrelaties van de Eerste Kamer.

Bericht delen
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Advertentie

error: Deze inhoud mag niet gekopieerd worden.